Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:4569 ECLI:NL:RVS:2025:4569 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:4569 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:4569
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202304327/1/V1. Datum uitspraak: 25 september 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 juni 2023 in zaak nr. NL23.3474 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 9 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:4569 · Raad van State: Dat neemt echter niet weg dat de minister met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van appellant. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9 tot en met 7.3, volgt dat de minister daarbij moet uitgaan van de minderjarigheid van appellant en dat het aan haar is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. 1.2. Appellant klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij uitgaat van de meerderjarigheid van appellant.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2025:3801
202404551/1/V1. Datum uitspraak: 20 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 25 juni 2024 in zaak nr. NL23.12913 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 5 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij uitspraak van 25 juni 2024 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 5 april 2023 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover de minister is uitgegaan van de geboortedatum 1 februari 1998 en de geboortedatum van betrokkene vastgesteld op 1 maart 2004.
ECLI:NL:RVS:2024:3992
202201742/1/V2. Datum uitspraak: 9 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 maart 2022 in zaak nr. NL21.10401 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 4 juni 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij uitspraak van 1 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202304327/1/V1. Datum uitspraak: 25 september 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 juni 2023 in zaak nr. NL23.3474 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 9 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Bij uitspraak van 12 juni 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W. Spijkstra, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 12 juni 2023 onbestreden overwogen dat de leeftijdsschouw van appellant door de IND niet inzichtelijk is. Appellant betoogt in de enige grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat ook de leeftijdsschouw door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: de AVIM) niet inzichtelijk is, omdat in het proces-verbaal een verbinding ontbreekt tussen de observaties en de bevindingen en de conclusies die de AVIM daaruit trekt.

De Afdeling kan bovendien uit het verslag niet opmaken hoe de gedragingen en verklaringen van appellant hebben bijgedragen aan de conclusie dat er twijfel bestaat over zijn leeftijd en waarom deze gedragingen en verklaringen daartoe hebben geleid. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, onder 16.1 en 17. 1.1. De Afdeling komt tot de conclusie dat beide schouwen niet inzichtelijk en concludent zijn. De minister mocht de leeftijdsschouwen daarom niet betrekken bij haar standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die appellant heeft opgegeven.

Dat neemt echter niet weg dat de minister met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van appellant. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9 tot en met 7.3, volgt dat de minister daarbij moet uitgaan van de minderjarigheid van appellant en dat het aan haar is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. 1.2. Appellant klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij uitgaat van de meerderjarigheid van appellant.

De minister heeft in de brief van 19 juli 2022 er alleen op gewezen dat appellant in Italië als meerderjarige staat geregistreerd. De minister heeft niet gemotiveerd dat zij heeft geïnformeerd onder welke omstandigheden appellant de verklaring over zijn leeftijd heeft afgelegd. De uitspraak van 9 oktober 2024, onder 6.9 tot en met 7.3, vereist dat wel. Ook blijkt uit het besluit van 9 januari 2023 niet dat de minister alle feiten en omstandigheden heeft meegewogen bij het beoordelen van de leeftijd van appellant. De minister heeft dus ondeugdelijk gemotiveerd waarom de twijfel over de minderjarigheid van appellant is weggenomen en waarom zij ervan uitgaat dat appellant meerderjarig is.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 januari 2023 in stand blijven en zij dat besluit geheel heeft vernietigd, wat dat laatste betreft omdat daarmee ten onrechte ook de verlening van de vergunning ongedaan is gemaakt. De Afdeling vernietigt het besluit van 9 januari 2023 voor zover dat gaat over de geboortedatum. Dit betekent dat de minister opnieuw moet motiveren van welke geboortedatum van appellant zij uitgaat.

De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 juni 2023 in zaak nr. NL23.3474 voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 9 januari 2023 in stand heeft gelaten en zij dat besluit geheel heeft vernietigd; III. vernietigt het besluit van 9 januari 2023, V-[...], voor zover dat gaat over de geboortedatum; IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier. w.g. Verburg lid van de enkelvoudige kamer w.g. Pronk griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2025 1028