Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:4428 ECLI:NL:RVS:2025:4428 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:4428 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:4428
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202405424/1/A2. Datum uitspraak: 17 september 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 18 juli 2024 in zaak nr. 23/3116 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Hulst. Procesverloop Bij besluit van 8 november 2022 heeft het college een aanvraag van [appellant] voor een incidentele subsidie afgewezen. Bij besluit van 16 mei 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:4428 · Raad van State: De uitspraak waar [appellant] op wijst, ziet op het geval waarin een bestuursorgaan een subisdie wil verstrekken, maar daarvoor geen grondslag bestaat. [appellant] betoogt terecht dat een bestuursorgaan op grond van artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een incidentele subsidie kan verstrekken als voor subsidieverlening een wettelijke grondslag ontbreekt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AG1659, volgt echter dat een bestuursorgaan geen incidentele subsidie kan verstrekken als uit een wettelijk voorschrift of een beleidsregel (of de toelichting daarop) blijkt dat er bewust voor is gekozen om voor een bepaalde activiteit geen subsidie te verlenen. 3.2.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2003:AK4014
Procesverloop Bij besluit van 25 april 2000 heeft de raad van de gemeente Raalte (hierna: de raad) het verzoek van appellante om verlening van een subsidie van ƒ 148.250,00/€ 67.272,92 in zoverre ingewilligd, dat een subsidie wordt verleend van 30% van de kosten, met een maximum van ƒ 50.000,00/€ 22.689,01 en voor het overige afgewezen. Bij besluit van 23 januari 2001 heeft de raad het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 december 2001 heeft de arrondissementsrechtbank te Zwolle - voorzover thans van belang - het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
ECLI:NL:RVS:2003:AG1659
Procesverloop Bij besluit van 23 januari 2001 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) een verzoek van - voorzover thans van belang - appellante (hierna: de vereniging) tot verlening van subsidie afgewezen. Bij besluit van 23 mei 2001 heeft de minister het daartegen door de vereniging gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 maart 2002, verzonden op die dag, heeft de rechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vereniging ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
ECLI:NL:RVS:2025:3409
202402817/1/A2. Datum uitspraak: 23 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Phoen'x Investments B.V. (hierna: Phoen’x), gevestigd in Amstelveen, en [appellante], gevestigd in Voorthuizen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 maart 2024 in zaken nrs. 20/5307, 21/1173 en 21/3644 in het geding tussen: Phoen’x en [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem. Procesverloop Bij besluiten van 16 januari 2020, 30 juli 2020, 12 januari 2021 en 22 februari 2021, heeft het college in tranches van € 340.000,00 subsidie verleend aan [partij].

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202405424/1/A2. Datum uitspraak: 17 september 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 18 juli 2024 in zaak nr. 23/3116 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Hulst. Procesverloop Bij besluit van 8 november 2022 heeft het college een aanvraag van [appellant] voor een incidentele subsidie afgewezen. Bij besluit van 16 mei 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.N. Sanders, advocaat in Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. A Schreijenberg, advocaat in Middelburg, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Het rijksmonument [locatie] in Hulst bestaat uit drie onderdelen: een voorhuis, een koetshuis en een stadstuin. [appellant] heeft op 29 april 2016 het voorhuis gekocht.

Het voorhuis verkeert in zeer slechte staat. Op 16 september 2022 heeft [appellant] bij het college een aanvraag om een incidentele subsidie ter hoogte van € 1.880.616,19 ingediend voor de restauratie van het voorhuis. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat het er bewust voor heeft gekozen om geen subsidieregeling voor (de restauratie van) rijksmonumenten in het leven te roepen. Het college heeft [appellant] gewezen op de subsidiemogelijkheden op rijksniveau. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft overwogen dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat het aantal potentiële aanvragers voor de subsidie niet zo beperkt is dat de subsidie incidenteel is.

Daarom is de rechtbank niet toegekomen aan bespreking van de overige beroepsgronden. Beoordeling in hoger beroep 3. [appellant] voert, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AK4014, aan dat een incidentele subsidie kan worden verstrekt als er geen beleid of vaste bestuurspraktijk is dat of die voorziet in subsidiëring van de betreffende activiteit. De rechtbank heeft miskend dat er in zijn geval geen beleid of vaste bestuurspraktijk was. Het gaat volgens [appellant] niet om het aantal potentiële, maar om het aantal daadwerkelijke ontvangers en dat is er in dit geval één. 3.1.

De uitspraak waar [appellant] op wijst, ziet op het geval waarin een bestuursorgaan een subisdie wil verstrekken, maar daarvoor geen grondslag bestaat. [appellant] betoogt terecht dat een bestuursorgaan op grond van artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een incidentele subsidie kan verstrekken als voor subsidieverlening een wettelijke grondslag ontbreekt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AG1659, volgt echter dat een bestuursorgaan geen incidentele subsidie kan verstrekken als uit een wettelijk voorschrift of een beleidsregel (of de toelichting daarop) blijkt dat er bewust voor is gekozen om voor een bepaalde activiteit geen subsidie te verlenen. 3.2.

Dit geldt ook voor een vaste gedragslijn als hier aan de orde. Het college heeft in de besluiten van 8 november 2022 en 16 mei 2023 toegelicht en ter zitting bevestigd dat het er bewust voor heeft gekozen om geen subsidies voor (de restauratie van) rijksmonumenten te verstrekken, omdat de gemeente Hulst een groot aantal rijksmonumenten kent en daarvoor op rijksniveau al een subsidieregeling bestaat. Dat de aanvraag ziet op één rijksmonument, maakt het, in tegenstelling tot wat [appellant] betoogt, niet tot een incidenteel geval (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3409).

De rechtbank heeft daarom terecht, zij het op andere gronden, overwogen dat het college de aanvraag voor een incidentele subsidie mocht afwijzen. Conclusie 4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden waarop zij rust (artikel 8:113, eerste lid, van de Awb).

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen voorzitter w.g. Van Loon griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2025 284-1160