Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:4068 ECLI:NL:RVS:2025:4068 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:4068 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:4068
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld. Op verzoek van de Afdeling heeft de minister nadere stukken overgelegd en een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. Appellant is op 25 maart 2025 staande gehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Vervolgens is hij op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 overgebracht en opgehouden. Grondslag van de staandehouding en ophouding 2. In de eerste grief betoogt appellant dat de rechtbank onterecht heeft overwogen dat de minister hem op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 mocht staandehouden en op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 mocht ophouden.

Legislator headnote

AI generated

artikel 50a van de Vw 2000; ECLI:NL:RVS:2025:4068 · Raad van State: Een Dublinclaimant heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 62c, vierde lid, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer op grond van artikel 8, onder m, van de Vw 2000, als hij Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten, dan wel de feitelijke overdracht is gerealiseerd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1164, onder 3.2, volgt dat, als een vreemdeling met onbekende bestemming uit het asielzoekerscentrum is vertrokken, hij geen rechtmatig verblijf meer heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000. 3.1.

Keywords

AI generated
artikel 50a van de Vw 2000

Cited Legislation

AI generated
artikel 50a van de Vw 2000
Dit had volgens hem op grond van artikel 50a van de Vw 2000 moeten plaatsvinden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:1164
201901039/1/V3. Datum uitspraak: 11 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 januari 2019 in zaak nr. NL19.1446 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 21 januari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 28 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2018:1498
201802028/1/V3. Datum uitspraak: 3 mei 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 maart 2018 in zaak nr. NL18.3658 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 21 februari 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 8 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BRS.25.000413 ECLI:NL:RVS:2025:4068 Datum uitspraak: 27 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 april 2025 in zaak nr. NL25.14910 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 25 maart 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 11 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld. Op verzoek van de Afdeling heeft de minister nadere stukken overgelegd en een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. Appellant is op 25 maart 2025 staande gehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Vervolgens is hij op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 overgebracht en opgehouden. Grondslag van de staandehouding en ophouding 2. In de eerste grief betoogt appellant dat de rechtbank onterecht heeft overwogen dat de minister hem op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 mocht staandehouden en op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 mocht ophouden.

Dit had volgens hem op grond van artikel 50a van de Vw 2000 moeten plaatsvinden. Hij had namelijk als Dublinclaimant nog rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000.

3. Een Dublinclaimant heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 62c, vierde lid, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer op grond van artikel 8, onder m, van de Vw 2000, als hij Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten, dan wel de feitelijke overdracht is gerealiseerd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1164, onder 3.2, volgt dat, als een vreemdeling met onbekende bestemming uit het asielzoekerscentrum is vertrokken, hij geen rechtmatig verblijf meer heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000. 3.1.

De minister heeft in haar schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat appellant niet met onbekende bestemming is vertrokken, maar dat zij een formulier Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten heeft opgesteld (hierna: TBBA-formulier). Appellant had daarom nog rechtmatig verblijf. De minister had hem dus op grond van artikel 50a van de Vw 2000 moeten staandehouden en ophouden. 3.2. Hoewel appellant terecht heeft betoogd dat hij op de verkeerde grondslag is staande gehouden en opgehouden, weegt de ernst van het gebrek niet op tegen de belangen die met de maatregel van bewaring gediend zijn.

Voor de staandehouding en ophouding van appellant bestond een grondslag, namelijk artikel 50a van de Vw 2000. Daarnaast is het risico op onttrekking onbetwist in hoger beroep. Aan de maatregel van bewaring heeft de minister onder meer ten grondslag gelegd dat appellant zich eerder ook al aan een geplande overdracht heeft onttrokken door tijdelijk buiten het bereik van de autoriteiten te zijn. Ook heeft appellant geen materieel nadeel ondervonden. Het gebrek in de staandehouding en de ophouding leidt daarom niet tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. 3.3.

Omdat er een gebrek in de staandehouding en ophouding is, had de rechtbank de minister moeten veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1498, onder 2.2. 3.4. De grief slaagt.

4. De tweede grief heeft geen zelfstandige betekenis. Conclusie 5. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten voor het gebrek in de staandehouding en ophouding. De Afdeling bevestigt de uitspraak voor het overige, met verbetering van de gronden waarop deze rust. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 11 april 2025 in zaak nr. NL25.14910, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten wegens het gebrek in de staandehouding en ophouding; III. bevestigt de uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2025 347-1122