Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:4041 ECLI:NL:RVS:2025:4041 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:4041 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:4041
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202405121/1/V1. Datum uitspraak: 22 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2024 in zaak nr. NL23.25250 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 19 februari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:4041 · Raad van State: Overschrijding redelijke termijn 2. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding, omdat volgens hem de redelijke termijn voor het nemen van een besluit op zijn aanvraag van 14 september 2020 is overschreden. De Afdeling wijst dit verzoek toe en legt hieronder uit waarom. 2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 27 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1672), vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. De minister heeft het bezwaarschrift op 18 maart 2021 ontvangen. Het bezwaar is met het besluit van 3 september 2021 ongegrond verklaard en het beroep hiertegen is met de uitspraak van de rechtbank van 11 februari 2022 ongegrond verklaard.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:1672
201407743/1/A2. Datum uitspraak: 27 mei 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Zuid-Beijerland, gemeente Korendijk, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2014 in zaak nr. 13/5567 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Korendijk. Procesverloop Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het college aan [appellant] € 9.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 21 oktober 2009, aan planschadevergoeding toegekend. Bij besluit van 23 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2023:1113
202201528/1/V1. Datum uitspraak: 22 maart 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 februari 2022 in zaak nr. NL21.15443 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 19 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2010:BM0213
Procesverloop In deze uitspraak wordt waar nodig onder de staatssecretaris van Justitie tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant sub 1] om vergoeding van schade afgewezen. Bij besluit van 13 mei 2008 heeft de staatssecretaris het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 mei 2009, verzonden op 11 juni 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover dat ziet op afwijzing van het om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, het besluit van 13 mei 2008 in zoverre vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris aan [appellant sub 1] € 1.500,00 toekent aan schadevergoeding.
ECLI:NL:RVS:2024:4295
202206120/1/V3. Datum uitspraak: 24 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 30 september 2022 in zaak nr. NL21.8497 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 27 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2024:2276
202108163/3/V3. Datum uitspraak: 5 juni 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van: [de vreemdeling], verzoeker. Procesverloop Bij uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4620, heeft de Afdeling het onderzoek in de zaak heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Partijen hebben niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten. Overwegingen 1. De vreemdeling heeft een verzoek ingediend om een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202405121/1/V1. Datum uitspraak: 22 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2024 in zaak nr. NL23.25250 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 19 februari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 23 augustus 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Kiliç-Arslan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Overschrijding redelijke termijn 2. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding, omdat volgens hem de redelijke termijn voor het nemen van een besluit op zijn aanvraag van 14 september 2020 is overschreden. De Afdeling wijst dit verzoek toe en legt hieronder uit waarom. 2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 27 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1672), vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. De minister heeft het bezwaarschrift op 18 maart 2021 ontvangen. Het bezwaar is met het besluit van 3 september 2021 ongegrond verklaard en het beroep hiertegen is met de uitspraak van de rechtbank van 11 februari 2022 ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft het hoger beroep met de uitspraak van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1113, gegrond verklaard en het besluit van 3 september 2021 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit moet nemen. De minister heeft op 23 augustus 2023 opnieuw een besluit genomen en appellant heeft op 30 augustus 2023 beroep ingesteld tegen dat besluit. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 17 juli 2024. Appellant heeft daartegen op 14 augustus 2024 hoger beroep ingesteld en daarop doet de Afdeling vandaag uitspraak. 2.2. In een geval als dit, waarin vernietiging door de rechter van een besluit leidt tot herhaalde besluitvorming door de minister op de oorspronkelijke aanvraag, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend.

De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0213, onder 2.7.1, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4295, onder 2.2. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2276, onder 2. 2.3. Uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, veroordeelt de Afdeling de minister tot betaling van een bedrag van € 500,00 aan appellant, als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade, wegens overschrijding van de redelijke termijn, met toepassing van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

Conclusie 3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden voor het hoger beroep. De minister moet wel de proceskosten vergoeden voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling stelt deze vast op € 453,50 (1 punt met een wegingsfactor 0,5). Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,00 aan appellant;

III. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. De Keizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2025 716-1060