Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:382 ECLI:NL:RVS:2025:382 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:382 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:382
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202407349/1/A2. Datum uitspraak: 27 januari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) in het geding tussen: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, en het college van beroep voor de examens van De Haagse Hogeschool (hierna: het CBE), verweerder. Openbare zitting gehouden op 27 januari 2025 om 13:15 uur. Tegenwoordig: staatsraad: mr. E.A. Minderhoud, voorzitter griffier: mr. M. Rijsdijk jurist: mr. D.T.J. van de Voort Verschenen: [appellante]; het CBE, vertegenwoordigd door mr. M.H. Hehemann; de examencommissie van de Faculteit Management & Organisatie, vertegenwoordigd door D.L. Feil en L. Couto Gestal. ==================================== Het beroep richt zich tegen de beslissing van het CBE van 24 oktober 2024, waarbij het administratief beroep tegen de beslissing van 4 juli 2024 van de examencommissie, waarin het verzoek van [appellante] om een extra kans voor het vak PO4 van de bacheloropleiding Human Resources Management is afgewezen, niet-ontvankelijk is verklaard. Beslissing De Afdeling verklaart het beroep ongegrond. Motivering: Het CBE heeft terecht gesteld dat de termijn voor het indienen van het administratief beroepschrift liep tot en met 16 augustus 2024 en dat het op 17 augustus 2024 ingediende administratief beroepschrift dus buiten de in artikel 6:7 van de Awb voorgeschreven termijn van zes weken is ingediend. Vanwege de te late indiening van het administratief beroepschrift moet het administratief beroep in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard. Op 30 januari 2024 heeft de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vier uitspraken gedaan over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding (ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34). De Afdeling moet in dit verband bezien of zich bijzondere omstandigheden voordeden die maken dat de termijnoverschrijding niet aan haar kan worden toegerekend. Het CBE heeft terecht het standpunt ingenomen dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden tijdens de administratief beroepsprocedure, namelijk een (heftige) coronabesmetting en de nasleep daarvan, er niet toe leiden dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van het administratief beroepschrift verschoonbaar is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het indienen van een (pro forma) administratief beroepschrift laagdrempelig is en dat [appellante] ook op de hoogte was van de mogelijkheid om het administratief beroepschrift pro forma in te dienen. Verder heeft [appellante] zich bij het opstellen van het (pro forma) administratief beroepschrift lopende de administratief beroepstermijn ook praktisch laten ondersteunen door haar broer, maar is het hen samen niet gelukt om het administratief beroepschrift voor het einde van de termijn in te dienen. De Afdeling ziet niet waarom het hen een dag na afloop van de termijn plots wel is gelukt om tot het gewenste resultaat te komen, namelijk indiening van een administratief beroep. De Afdeling volgt daarom niet het betoog dat het voor [appellante] niet mogelijk was om tijdig administratief beroep in te stellen. Het betoog slaagt niet. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Rijsdijk Griffier 705-1062

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:7 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2025:382 · Raad van State: 202407349/1/A2. Datum uitspraak: 27 januari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) in het geding tussen: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, en het college van beroep voor de examens van De Haagse Hogeschool (hierna: het CBE), verweerder. Openbare zitting gehouden op 27 januari 2025 om 13:15 uur. Tegenwoordig: staatsraad: mr. E.A. Minderhoud, voorzitter griffier: mr. M. Rijsdijk jurist: mr. D.T.J. van de Voort Verschenen: [appellante]; het CBE, vertegenwoordigd door mr. M.H. Hehemann; de examencommissie van de Faculteit Management & Organisatie, vertegenwoordigd door D.L. Feil en L. Couto Gestal. ==================================== Het beroep richt zich tegen de beslissing van het CBE van 24 oktober 2024, waarbij het administratief beroep tegen de beslissing van 4 juli 2024 van de examencommissie, waarin het verzoek van [appellante] om een extra kans voor het vak PO4 van de bacheloropleiding Human Resources Management is afgewezen, niet-ontvankelijk is verklaard. Beslissing De Afdeling verklaart het beroep ongegrond. Motivering: Het CBE heeft terecht gesteld dat de termijn voor het indienen van het administratief beroepschrift liep tot en met 16 augustus 2024 en dat het op 17 augustus 2024 ingediende administratief beroepschrift dus buiten de in artikel 6:7 van de Awb voorgeschreven termijn van zes weken is ingediend. Vanwege de te late indiening van het administratief beroepschrift moet het administratief beroep in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard. Op 30 januari 2024 heeft de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vier uitspraken gedaan over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding (ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34). De Afdeling moet in dit verband bezien of zich bijzondere omstandigheden voordeden die maken dat de termijnoverschrijding niet aan haar kan worden toegerekend. Het CBE heeft terecht het standpunt ingenomen dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden tijdens de administratief beroepsprocedure, namelijk een (heftige) coronabesmetting en de nasleep daarvan, er niet toe leiden dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van het administratief beroepschrift verschoonbaar is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het indienen van een (pro forma) administratief beroepschrift laagdrempelig is en dat [appellante] ook op de hoogte was van de mogelijkheid om het administratief beroepschrift pro forma in te dienen. Verder heeft [appellante] zich bij het opstellen van het (pro forma) administratief beroepschrift lopende de administratief beroepstermijn ook praktisch laten ondersteunen door haar broer, maar is het hen samen niet gelukt om het administratief beroepschrift voor het einde van de termijn in te dienen. De Afdeling ziet niet waarom het hen een dag na afloop van de termijn plots wel is gelukt om tot het gewenste resultaat te komen, namelijk indiening van een administratief beroep. De Afdeling volgt daarom niet het betoog dat het voor [appellante] niet mogelijk was om tijdig administratief beroep in te stellen. Het betoog slaagt niet. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Rijsdijk Griffier 705-1062

Keywords

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6:7 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 6:7 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2024:31
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1049 uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Black Label Hotel Valkenburg B.V., te Maastricht (de onderneming) (gemachtigde: mr. F.M.C. van Helmond) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 5 januari 2022 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 vastgesteld op € 45.514,10,- en een bedrag van € 47.950,82 aan teveel betaalde voorschotten teruggevorderd.
ECLI:NL:CBB:2024:32
beslissing COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/182 beslissing van de grote kamer van 30 januari 2024 tot heropening van het onderzoek in de zaak tussen Trichter B.V., te Maastricht (de onderneming) (gemachtigden: mr. L.C. van Kasteren en mr. J. van Weerden) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 30 juni 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2024:33
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/2531 uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Markant Recreatie B.V., te Braamt (de onderneming) (gemachtigde: J.G.H. Kelderman RA) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 17 mei 2022 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 34.733,32 teruggevorderd.
ECLI:NL:CBB:2024:34
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1193 uitspraak van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Greenboats B.V., te Amsterdam (de onderneming) (gemachtigden: mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text