Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:3201 ECLI:NL:RVS:2025:3201 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:3201 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:3201
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202500126/1/V3. Datum uitspraak: 16 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 30 december 2024 in zaak nr. NL24.49251 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 21 november 2024 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 30 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:3201 · Raad van State: Wat appellant in grief 2 aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.1. Deze grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, onder 4 tot en met 4.4.2, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789, onder 3 tot en met 3.7.2, over de detentieomstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2025:2925
202501183/1/V3. Datum uitspraak: 1 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 februari 2025 in zaak nr. NL25.4324 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 18 januari 2025 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij mondelinge uitspraak van 11 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2025:258
202407479/1/V3. Datum uitspraak: 29 januari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.47085 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 11 december 2024 bevolen en schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2025:789
202500661/1/V3. Datum uitspraak: 26 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 januari 2025 in zaak nr. NL25.511 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 1 januari 2025 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 31 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202500126/1/V3. Datum uitspraak: 16 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 30 december 2024 in zaak nr. NL24.49251 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 21 november 2024 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 30 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie niet te lang zou voortduren. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, onder 8, geoordeeld dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 niet langer mag voortduren dan dertien weken, gelet op artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn.

De rechtbank heeft in deze grensdetentiezaak overwogen dat zij het beroep in de asielprocedure van appellant op 25 februari 2025 op een zitting zal behandelen, dertien weken en zes dagen nadat appellant in grensdetentie is geplaatst. De rechtbank had daarom in haar uitspraak tot de conclusie moeten komen dat de grensdetentie van appellant niet meer evenredig was, omdat deze geen enkel doel meer diende, aangezien de minister de grensdetentie hoe dan ook had moeten opheffen voor de zitting in de asielzaak. De grensdetentie was onrechtmatig vanaf 30 december 2024, de dag waarop de rechtbank uitspraak deed.

De Afdeling verwijst naar haar genoemde uitspraak van 1 juli 2025, onder 3.9 en 3.10. 1.1. De grief slaagt.

2. Wat appellant in grief 2 aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.1. Deze grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, onder 4 tot en met 4.4.2, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789, onder 3 tot en met 3.7.2, over de detentieomstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de grensdetentie vanaf een eerdere datum dan 30 december 2024 onrechtmatig te achten. Het beroep is gegrond. Omdat de grensdetentie al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000).

Deze vergoeding wordt daarom aan appellant toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 30 december 2024 in zaak nr. NL24.49251; III. kent aan appellant een vergoeding toe van € 7.300,00 over de periode van 30 december 2024 tot en met 12 maart 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State; IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Jiawan griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2025 1020