ECLI:NL:RVS:2025:2686 · Raad van State
Legislator summary
AI generated202502390/3/A2. Datum uitspraak: 18 juni 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], verzoekster, en het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: CBE). Procesverloop [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende het beroep tegen de beslissing van het CBE van 24 april 2025.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2025:2686 · Raad van State: 202502390/3/A2. Datum uitspraak: 18 juni 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], verzoekster, en het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: CBE). Procesverloop [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende het beroep tegen de beslissing van het CBE van 24 april 2025.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedCited Case Law
AI generatedFull text
202502390/3/A2. Datum uitspraak: 18 juni 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster], verzoekster, en het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool van Amsterdam (hierna: CBE). Procesverloop [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende het beroep tegen de beslissing van het CBE van 24 april 2025.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 mei 2025, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door C.J.A van Vliet, rechtsbijstandverlener te Markelo, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. O. Jungst, zijn verschenen. Overwegingen 1. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:2685, heeft de Afdeling het beroep van [verzoekster] tegen de beslissing van het CBE van 24 april 2025 ongegrond verklaard. Gelet hierop wordt het verzoek afgewezen.
2. Het CBE hoeft de proceskosten niet te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier. w.g. De Moor-van Vugt voorzieningenrechter w.g. Rijsdijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2025 705-1160