ECLI:NL:RVS:2025:2382 · Raad van State
Legislator summary
AI generated202502104/1/V3 en 202502104/2/V3. Datum uitspraak: 23 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 maart 2025 in zaak nr. 24/8725 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 92 van de Vw 2000, artikel 85 van de Vw 2000; ECLI:NL:RVS:2025:2382 · Raad van State: Datum uitspraak: 23 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 maart 2025 in zaak nr. 24/8725 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
202502104/1/V3 en 202502104/2/V3. Datum uitspraak: 23 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 maart 2025 in zaak nr. 24/8725 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop Bij besluit van 21 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 25 april 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen 1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant heeft een hogerberoepschrift ingediend op nader aan te voeren gronden en daarvoor een nadere termijn gevraagd. Die mogelijkheid biedt de Vw 2000 niet. Appellant legt daardoor niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens haar onjuist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier. w.g. Sevenster voorzieningenrechter w.g. Snijders griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2025 279