Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:2108 ECLI:NL:RVS:2025:2108 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:2108 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:2108
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202407182/1/V2. Datum uitspraak: 8 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 november 2024 in zaak nr. NL24.38164 in het geding tussen: [appellant] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:2108 · Raad van State: De minister klaagt in haar tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. De Afdeling legt dat hierna uit. 5.1. Het gaat hier om de toepassing van artikel 17 van de Dvo. De Afdeling heeft over die bepaling eerder overwogen dat het aan de minister is om te beoordelen of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2024:896
202304212/1/V3. Datum uitspraak: 13 maart 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 27 juni 2023 in zaak nr. NL23.7635 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 13 maart 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 27 juni 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2024:4244
202107920/1/V3. Datum uitspraak: 23 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 13 december 2021 in zaak nr. NL21.9716 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 17 juni 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat de vreemdeling wordt overgedragen aan Italië.
ECLI:NL:RVS:2025:1642
202403570/1/V2. Datum uitspraak: 11 april 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juni 2024 in zaken nrs. NL24.16616 en NL24.16619 in het geding tussen: [betrokkene A] en [betrokkene B], mede namens hun minderjarige kind, en de minister. Procesverloop Bij besluiten van 15 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2025:717
202407656/1/V3. Datum uitspraak: 25 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 10 december 2024 in zaak nr. NL24.19024 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 30 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2016:563
201505706/1/V3. Datum uitspraak: 19 februari 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), van 14 juli 2015 in zaken nrs. 15/11436 en 15/11437 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 10 juni 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2021:182
202004563/1/V1. Datum uitspraak: 27 januari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van: [de vreemdeling], verzoeker, om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb). Procesverloop De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Krikke, advocaat te Bussum, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 augustus 2020 in zaak nr. NL20.8062. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202407182/1/V2. Datum uitspraak: 8 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 november 2024 in zaak nr. NL24.38164 in het geding tussen: [appellant] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 21 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.E.M. de Vries, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend. Overwegingen Inleiding 1. De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling genomen, omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de rechtbank het besluit van 1 oktober 2024, waarin de minister die verantwoordelijkheid van Spanje vaststelt, terecht heeft vernietigd. Belang bij de beoordeling van het hoger beroep 2. De minister heeft bij brief van 20 januari 2025 aan de Afdeling te kennen gegeven dat de termijn om betrokkene over te dragen aan Spanje is verstreken. Dit betekent dat de minister betrokkene niet meer kan overdragen aan Spanje en dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. Ondanks deze situatie heeft de minister nog steeds belang bij de beoordeling van het hoger beroep.

Dat belang is gelegen in de precedentwerking die kan uitgaan van de vernietiging van het besluit door de rechtbank. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896, onder 3, en 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, onder 4. De overwegingen van de rechtbank 3. De rechtbank heeft in de kern overwogen dat de minister ten onrechte een voornemen heeft uitgebracht waarin zij niet is ingegaan op de individuele omstandigheden van betrokkene. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt.

In dat kader heeft de rechtbank overwogen dat het dossier indicaties bevat dat betrokkene een kwetsbare en mogelijk getraumatiseerde vrouw is. De rechtbank achtte van belang dat betrokkene heeft verklaard dat zij in Nederland een vriend heeft gevonden die haar begrijpt en haar taal spreekt. Hoewel betrokkene die relatie niet met stukken of anderszins heeft onderbouwd, overweegt de rechtbank dat alle hiervoor genoemde omstandigheden in samenhang bezien, als deze voldoende vast komen te staan, wel zouden maken dat de overdracht van betrokkene aan Spanje van een onevenredige hardheid zou getuigen. 3.1.

De minister is het hier niet mee eens en zij heeft daarom hiertegen hoger beroep ingesteld. Het oordeel van de Afdeling over het hoger beroep 4. De minister klaagt in haar eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister ten onrechte een voornemen heeft uitgebracht waarin zij niet is ingegaan op de individuele omstandigheden van betrokkene. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, onder 4.3 tot en met 4.8. Daarin legt zij uit waarom de besluitvorming niet zonder meer onzorgvuldig is als de minister in het voornemen in de Dublinprocedure niet ingaat op de individuele omstandigheden van een vreemdeling. 4.1.

De eerste grief slaagt.

5. De minister klaagt in haar tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. De Afdeling legt dat hierna uit. 5.1. Het gaat hier om de toepassing van artikel 17 van de Dvo. De Afdeling heeft over die bepaling eerder overwogen dat het aan de minister is om te beoordelen of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.

De rechter moet die beoordeling terughoudend toetsen. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, onder 7. 5.2. De minister betoogt in dat kader terecht dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 1 oktober 2024 niet terughoudend heeft getoetst. De rechtbank overweegt namelijk dat als de door haar vastgestelde indicaties en de relatie met de vriend van betrokkene voldoende vaststaan, die omstandigheden in samenhang bezien zouden maken dat een overdracht onevenredig hard is. Daarmee geeft de rechtbank ten onrechte een eigen oordeel over de vraag of een overdracht van betrokkene aan Spanje onevenredig hard is, terwijl het aan de minister is om dat te beoordelen. 5.3.

Daarnaast betoogt de minister terecht dat de rechtbank zich alleen baseert op indicaties van de medische problemen van betrokkene en op de veronderstelling dat de relatie van betrokkene voldoende vaststaat. Het is echter aan betrokkene om aannemelijk te maken, en zo veel als mogelijk met stukken te onderbouwen, dat zij een kwetsbare en getraumatiseerde vrouw is en dat zij een vriend heeft in Nederland. De minister betoogt daarbij terecht dat zij alle door betrokkene aangevoerde omstandigheden heeft betrokken. Zo heeft de minister terecht gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar benodigde gezondheidszorg niet aanwezig en niet toegankelijk is in Spanje.

Dat heeft de rechtbank ook erkend. Daarnaast heeft de minister terecht gesteld dat betrokkene met alleen haar verklaringen haar relatie niet aannemelijk heeft gemaakt. Tot slot heeft de minister terecht betoogd dat ook al zou betrokkene haar relatie wel aannemelijk hebben gemaakt, dit geen reden is om artikel 17 van de Dvo toe te passen. De Dublinprocedure is namelijk niet bedoeld als route waarlangs een vreemdeling op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan krijgen. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:563, onder 1.5. 5.4.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat de overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. 5.5. De tweede grief slaagt. Conclusie 6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 2 heeft overwogen, heeft betrokkene geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Nederland is namelijk verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag en betrokkene wordt niet meer aan Spanje overgedragen.

Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Zij moet namelijk als gevolg van het verstrijken van de termijn om betrokkene over te dragen de asielaanvraag alsnog in behandeling nemen. Zij is dus niet aan betrokkene tegemoetgekomen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182, onder 2. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 november 2024 in zaak nr. NL24.38164;

III. verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier. w.g. Wissels voorzitter w.g. Salverda griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2025 992