Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:2106 ECLI:NL:RVS:2025:2106 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:2106 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:2106
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202500316/1/V3. Datum uitspraak: 8 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 januari 2025 in zaak nr. NL25.99 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit 30 december 2024 heeft de minister betrokkene de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van 31 december 2024 heeft zij hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:2106 · Raad van State: De beroepsgrond dat de minister lichte grond 4c ondeugdelijk gemotiveerd aan de vrijheidsontnemende maatregel ten grondslag heeft gelegd, kan niet leiden tot het beoogde doel. Betrokkene heeft de zware gronden 3i en 3j namelijk niet bestreden. Deze gronden kunnen de maatregel dragen (artikel 5.1b van het Vb 2000).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2025:258
202407479/1/V3. Datum uitspraak: 29 januari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.47085 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 11 december 2024 bevolen en schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2025:789
202500661/1/V3. Datum uitspraak: 26 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 januari 2025 in zaak nr. NL25.511 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 1 januari 2025 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 31 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202500316/1/V3. Datum uitspraak: 8 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 januari 2025 in zaak nr. NL25.99 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit 30 december 2024 heeft de minister betrokkene de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van 31 december 2024 heeft zij hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 16 januari 2025 heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 31 december 2024 ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De rechtbank heeft overwogen dat de eerdere vrijheidsontnemende maatregel die de minister betrokkene had opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 onrechtmatig was vanwege de detentieomstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol (hierna: het JCS), waar die maatregel ten uitvoer werd gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt die onrechtmatigheid de opvolgende vrijheidsontnemende maatregel, die in deze zaak ter beoordeling voorligt, onevenredig bezwarend en daarmee ook onrechtmatig. 1.1. De minister komt terecht op tegen dit oordeel. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel gevolgen zou moeten hebben voor de rechtmatigheid van de opvolgende maatregel, maakten de omstandigheden in het JCS de eerdere maatregel namelijk niet onrechtmatig. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789. 1.2.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

3. De beroepsgrond dat de minister lichte grond 4c ondeugdelijk gemotiveerd aan de vrijheidsontnemende maatregel ten grondslag heeft gelegd, kan niet leiden tot het beoogde doel. Betrokkene heeft de zware gronden 3i en 3j namelijk niet bestreden. Deze gronden kunnen de maatregel dragen (artikel 5.1b van het Vb 2000).

4. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 januari 2025 in zaak nr. NL25.99; III. verklaart het beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. De Poorter lid van de enkelvoudige kamer w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2025 644-1020