Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:2102 ECLI:NL:RVS:2025:2102 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:2102 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:2102
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202306100/1/V2. Datum uitspraak: 8 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant 1] en [appellant 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 september 2023 in zaken nrs. NL23.23825 en NL23.23828 in het geding tussen: appellanten en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 21 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2025:2102 · Raad van State: De minister acht de asielelementen geloofwaardig, maar zij ziet geen aanleiding om aan te nemen dat appellanten een gegronde vrees hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij momenteel in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staan wegens hun deelname aan demonstraties en de berichten op Instagram. De minister heeft kunnen concluderen dat de vrouw tot een risicogroep behoort, maar dat er geen sprake is van geringe indicaties, aldus de rechtbank.

Keywords

AI generated
artikel 3 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
De minister acht de asielelementen geloofwaardig, maar zij ziet geen aanleiding om aan te nemen dat appellanten een gegronde vrees hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:1708
202105774/1/V2 Datum uitspraak: 3 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 augustus 2021 in zaak nr. NL21.3928 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2024:63
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2022:94
202102293/1/V2. Datum uitspraak: 19 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 april 2021 in zaak nr. NL21.3210 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 26 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 1 april 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2022:1879
202106348/1/V2. Datum uitspraak: 5 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 september 2021 in zaak nr. NL21.7071 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 4 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202306100/1/V2. Datum uitspraak: 8 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant 1] en [appellant 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 september 2023 in zaken nrs. NL23.23825 en NL23.23828 in het geding tussen: appellanten en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 21 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 18 september 2023 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. K. Mohasselzadeh, advocaat in Voorburg, hoger beroep ingesteld. Overwegingen Inleiding 1. Appellanten komen uit Iran. Zij zijn getrouwd. Zij hebben aan hun asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij nooit in de islam hebben geloofd en niet gelovig zijn opgegroeid.

Ook hebben zij verklaard dat zij problemen hebben ondervonden door deelnames aan demonstraties in Iran, dat zij hierbij zijn geslagen met wapenstokken door de autoriteiten en dat zij zijn bedreigd met een wapen op straat omdat de vrouw haar hijab niet goed droeg. Verder heeft de vrouw kritische berichten op Instagram geplaatst die duidelijk zijn gericht tegen het regime, waarna zij op 1 december 2022 door een onbekend nummer is gebeld en haar is verteld te stoppen met het plaatsen van deze berichten. Dat heeft zij vervolgens gedaan, maar appellanten vrezen bij terugkeer naar Iran voor de Iraanse autoriteiten wegens hun politieke activiteiten en hun seculiere levensstijl. 1.1.

De minister acht de asielelementen geloofwaardig, maar zij ziet geen aanleiding om aan te nemen dat appellanten een gegronde vrees hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij momenteel in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staan wegens hun deelname aan demonstraties en de berichten op Instagram. De minister heeft kunnen concluderen dat de vrouw tot een risicogroep behoort, maar dat er geen sprake is van geringe indicaties, aldus de rechtbank.

Daarbij heeft zij wel overwogen dat de minister ten onrechte het onjuiste toetsingskader van een fundamentele politieke overtuiging heeft toegepast. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister appellanten niet heeft hoeven aanmerken als afvalligen. 1.2. Appellanten bestrijden in hoger beroep niet de uitspraak, onder 8.1 tot en met 8.4, waar de rechtbank heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran ondervraagd zullen worden door de autoriteiten.

De minister heeft tegen de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep 2. In hoger beroep klagen appellanten onder meer dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij wegens hun politieke activiteiten in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staan of komen te staan. Dit betoog slaagt. Zoals hierover onder 1 tot en met 1.1 uiteen is gezet, heeft de minister de demonstraties en ondervonden problemen geloofwaardig geacht en de vrouw aangemerkt als behorend tot een risicogroep in de zin van paragraaf C7/13.3.2 van de Vc 2000, zoals die toen gold.

Met al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien en geplaatst in het licht van de overgelegde landeninformatie, hebben appellanten voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel opgeworpen over het standpunt van de minister dat niet aannemelijk is dat zij wegens hun politieke activiteiten en overtuiging een gegronde vrees hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer. Het is gelet op de samenwerkingsplicht daarom aan de minister om zijn standpunt nader te motiveren om deze twijfel weg te nemen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1708, onder 3.3. Bij de zwaarwegendheidsbeoordeling van de politieke overtuiging van appellanten moet de minister het toetsingskader uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63, onder 5 tot en met 14, toepassen. 2.1. Daarnaast klagen appellanten dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij wel als afvalligen moeten worden aangemerkt. In de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, heeft de Afdeling overwogen dat afvalligheid in het kader van die uitspraak betekent dat een betrokkene zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid, dat hij eerder heeft aangehangen of waarbij hij in de ogen van zijn sociale omgeving of de overheid aangesloten behoort te zijn.

Ook een betrokkene die nooit heeft geloofd in het geloof waarmee hij is opgegroeid, kan dus afvallig zijn of als afvallige worden gezien. Appellanten betogen daarom terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in dit geval de geloofwaardigheid van de gestelde afvalligheid dan wel toegedichte afvalligheid ten onrechte niet heeft onderzocht en beoordeeld. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1879, onder 1. 2.2. De grieven slagen. Conclusie 3. Het hoger beroep is gegrond. Partijen zijn het er echter over eens dat de rechtbank de beroepen terecht gegrond heeft verklaard en de besluiten van 21 augustus 2023 terecht heeft vernietigd.

De minister moet nieuwe besluiten op de aanvragen nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet is aangevochten. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier. w.g. Wissels voorzitter w.g. Toonen griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2025 979