Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:1702 ECLI:NL:RVS:2025:1702 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:1702 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:1702
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202407040/1/A2. Datum uitspraak: 16 april 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het CBE), verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 28 februari 2024 heeft een examinator van het vak "Principles of Economics and Business 2" (hierna: het vak) van de bacheloropleiding Business Administration van de faculteit Economie en Bedrijfskunde aan [appellant] het eindcijfer 4,5 toegekend. Bij beslissing van 9 oktober 2024 heeft het CBE het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:1702 · Raad van State: Niet in geschil is dat de termijn voor het instellen van administratief beroep op 10 april 2024 is geëindigd en dat [appellant] op 30 juli 2024 administratief beroep bij het CBE heeft ingesteld. 3. [appellant] voert aan dat een medestudent, ook namens hem, binnen de termijn een klacht aan de examencommissie heeft gestuurd en dat de examencommissie die klacht ten onrechte niet als administratief beroepschrift naar het CBE heeft doorgestuurd. [appellant] heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat die klacht ook namens hem is ingediend.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2024:31
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1049 uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Black Label Hotel Valkenburg B.V., te Maastricht (de onderneming) (gemachtigde: mr. F.M.C. van Helmond) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 5 januari 2022 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 vastgesteld op € 45.514,10,- en een bedrag van € 47.950,82 aan teveel betaalde voorschotten teruggevorderd.
ECLI:NL:CBB:2024:32
beslissing COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/182 beslissing van de grote kamer van 30 januari 2024 tot heropening van het onderzoek in de zaak tussen Trichter B.V., te Maastricht (de onderneming) (gemachtigden: mr. L.C. van Kasteren en mr. J. van Weerden) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 30 juni 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2024:33
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/2531 uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Markant Recreatie B.V., te Braamt (de onderneming) (gemachtigde: J.G.H. Kelderman RA) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 17 mei 2022 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 34.733,32 teruggevorderd.
ECLI:NL:CBB:2024:34
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1193 uitspraak van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Greenboats B.V., te Amsterdam (de onderneming) (gemachtigden: mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202407040/1/A2. Datum uitspraak: 16 april 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het CBE), verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 28 februari 2024 heeft een examinator van het vak "Principles of Economics and Business 2" (hierna: het vak) van de bacheloropleiding Business Administration van de faculteit Economie en Bedrijfskunde aan [appellant] het eindcijfer 4,5 toegekend. Bij beslissing van 9 oktober 2024 heeft het CBE het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld. Het CBE heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 januari 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Paijmans, advocaat te Utrecht, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. D.L.M. van der Zande, zijn verschenen. Na sluiting van het onderzoek heeft de Afdeling het onderzoek heropend om [appellant] in de gelegenheid te stellen te reageren op een door het CBE bij e-mail van 21 januari 2025 overgelegd nader stuk. Bij brief van 3 februari 2025 heeft [appellant] een reactie gegeven.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. [appellant] is het niet eens met het oordeel van het CBE dat zijn administratief beroep niet-ontvankelijk is.

2. Niet in geschil is dat de termijn voor het instellen van administratief beroep op 10 april 2024 is geëindigd en dat [appellant] op 30 juli 2024 administratief beroep bij het CBE heeft ingesteld. 3. [appellant] voert aan dat een medestudent, ook namens hem, binnen de termijn een klacht aan de examencommissie heeft gestuurd en dat de examencommissie die klacht ten onrechte niet als administratief beroepschrift naar het CBE heeft doorgestuurd. [appellant] heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat die klacht ook namens hem is ingediend.

Het betoog van [appellant] dat hij via die weg tijdig administratief beroep heeft ingesteld, slaagt daarom niet. 4. [appellant] voert verder aan dat het CBE niet heeft onderkend dat de termijnoverschrijding van het door hem ingestelde administratief beroep verschoonbaar is. 4.1. Op 30 januari 2024 heeft de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vier uitspraken gedaan (ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34), die nieuwe regels stellen voor de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.

De Afdeling moet in dit verband bezien of zich bijzondere omstandigheden voordeden die maken dat de termijnoverschrijding niet aan [appellant] kan worden toegerekend. 4.2. [appellant] betwist niet meer dat onderaan de beslissing van 28 februari 2024 een rechtsmiddelenclausule stond. Het CBE heeft daarom terecht overwogen dat [appellant], gelet op die rechtsmiddelenclausule op de hoogte had moeten zijn van de procedure bij het CBE, de toepasselijke termijn voor administratief beroep en de begin- en einddatum hiervan. 4.3. Het CBE heeft [appellant] bij e-mail van 31 juli 2024 in de gelegenheid gesteld om de reden van de termijnoverschrijding toe te lichten. [appellant] heeft daarop bij e-mail van dezelfde datum laten weten dat hij er na afloop van de termijn achter kwam dat twee medestudenten voor hetzelfde vak en volgens hem in dezelfde situatie in administratief beroep in het gelijk zijn gesteld en alsnog een voldoende hebben gekregen voor het vak.

In de brief van 3 februari 2025 heeft hij verder nog gesteld dat hij door de gedragingen van de examen- en de klachtencommissie op het verkeerde been is gezet en dat het CBE zijn administratief beroep zonder enig onderzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het CBE heeft naar het oordeel van de Afdeling, gezien de in deze overweging genoemde e-mailwisseling tussen het CBE en [appellant] en mede gelet op wat hiervoor onder 3 en 4.2 is overwogen, terecht in deze omstandigheden geen aanleiding gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. 4.4.

Ook deze grond slaagt niet.

5. Op de zitting heeft [appellant] zijn derde grond ingetrokken. Conclusie 6. Het beroep is ongegrond.

7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier. w.g. de Poorter lid van de enkelvoudige kamer w.g. de Vink griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2025 154-972