Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:146 ECLI:NL:RVS:2025:146 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:146 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:146
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202402624/1/A2. Datum uitspraak: 22 januari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft (hierna: het college), verweerder. Procesverloop Het wrakingsverzoek van de secretaris en de voorzitter van de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag (hierna: de KOG) is door het college bij brief van 21 september 2023 afgewezen. Bij beslissing van 20 februari 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6 van het EVRM, artikel 9:3 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2025:146 · Raad van State: Beroep 2. [appellant] stelt dat het afwijzen van de wrakingsverzoeken een rechtstreeks gevolg heeft voor zijn positie als rechtszoekende. Daarom moeten deze afwijzingen worden gezien als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Als hij geen mogelijkheid heeft om te wraken, zijn de procedures in strijd met artikel 6 van het EVRM. 2.1. De afwijzing van de wrakingsverzoeken van 21 september 2024 is een beslissing over de behandeling van de klachten van [appellant], als bedoeld in artikel 9:3 van de Awb. Dit betekent dat deze beslissing uitdrukkelijk uitgezonderd is van mogelijkheden tot bezwaar, dan wel beroep. 2.2.

Keywords

AI generated
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6 van het EVRM artikel 9:3 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht
Daarom moeten deze afwijzingen worden gezien als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
artikel 6 van het EVRM
Als hij geen mogelijkheid heeft om te wraken, zijn de procedures in strijd met artikel 6 van het EVRM.
artikel 9:3 van de Awb
De afwijzing van de wrakingsverzoeken van 21 september 2024 is een beslissing over de behandeling van de klachten van [appellant], als bedoeld in artikel 9:3 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202402624/1/A2. Datum uitspraak: 22 januari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft (hierna: het college), verweerder. Procesverloop Het wrakingsverzoek van de secretaris en de voorzitter van de Klachtencommissie Ongewenst Gedrag (hierna: de KOG) is door het college bij brief van 21 september 2023 afgewezen. Bij beslissing van 20 februari 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 november 2024, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door M.P. van Leerdam en N. van Doorn, bijgestaan door mr. I.A. Hoen, advocaat te Leiden, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat [appellant] de leden van de zittingskamer heeft gewraakt. Het verzoek tot wraking is bij uitspraak van de Afdeling van 3 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4956 afgewezen.

In de mondelinge uitspraak van 26 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4947, is een verzoek om wraking van de leden van de wrakingskamer afgewezen. Bij brief van 3 december 2024 heeft de Afdeling de partijen bericht dat zij voortzetting van de mondelinge behandeling gelet op het verloop van de zitting van 12 november 2024 niet zinvol acht en de nog niet uitgesproken, maar toen wel overgelegde, pleitnota van het college heeft ingenomen als nader stuk. [appellant] is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Bij brief van 10 december 2024 heeft [appellant] van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Het college heeft hierop bij brief van 19 december 2024 gereageerd. De Afdeling heeft op 20 december 2024 het onderzoek gesloten en partijen hierover bij brief van diezelfde datum geïnformeerd. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft diverse klachten ingediend bij de KOG. Hij is ontevreden over de behandeling daarvan en heeft wrakingsverzoeken ingediend tegen de secretaris en de voorzitter van de KOG. Het college heeft deze wrakingsverzoeken op 21 september 2023 afgewezen. Bij e-mail van 26 september 2023 heeft het college [appellant] geïnformeerd dat tegen die beslissing geen bezwaar of beroep open staat.

Beroep 2. [appellant] stelt dat het afwijzen van de wrakingsverzoeken een rechtstreeks gevolg heeft voor zijn positie als rechtszoekende. Daarom moeten deze afwijzingen worden gezien als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Als hij geen mogelijkheid heeft om te wraken, zijn de procedures in strijd met artikel 6 van het EVRM. 2.1. De afwijzing van de wrakingsverzoeken van 21 september 2024 is een beslissing over de behandeling van de klachten van [appellant], als bedoeld in artikel 9:3 van de Awb. Dit betekent dat deze beslissing uitdrukkelijk uitgezonderd is van mogelijkheden tot bezwaar, dan wel beroep. 2.2.

Het bericht van 26 september 2023 bevat een aanvullende mededeling aan [appellant] dat bezwaar en beroep niet mogelijk is tegen de beslissing van 21 september 2023 en dat als hij het niet eens is met de uitkomst van de klachtenafhandeling, hij zich tot de Nationale Ombudsman kan richten. Dit bericht is van informatieve aard. Het is geen besluit in de zin van artikel 1:3, van de Awb. Dus ook tegen dit bericht is geen bezwaar of beroep mogelijk. 2.3. Het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Conclusie 3. Het beroep is ongegrond.

4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Van Loon griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025 284-1043