Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2025:1373 ECLI:NL:RVS:2025:1373 AI generated

ECLI:NL:RVS:2025:1373 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2025:1373
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

de minister van Asiel en Migratie, 2. [de vreemdeling], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2025 in zaak nr. NL24.50289 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister. Procesverloop Bij besluit van 2 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 14 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond en de minister opgedragen de vreemdeling schadeloos te stellen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 106 van de Vw 2000; ECLI:NL:RVS:2025:1373 · Raad van State: Tegen deze uitspraak hebben de minister en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V. Senczuk, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen Het hoger beroep van de minister 1. De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van de vreemdeling geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is.

Keywords

AI generated
artikel 106 van de Vw 2000

Cited Legislation

AI generated
artikel 106 van de Vw 2000
Hij betoogt dat hij, in plaats daarvan, recht heeft op schadevergoeding in de zin van artikel 106 van de Vw 2000.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2025:258
202407479/1/V3. Datum uitspraak: 29 januari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024 in zaak nr. NL24.47085 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 11 december 2024 bevolen en schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2025:789
202500661/1/V3. Datum uitspraak: 26 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 januari 2025 in zaak nr. NL25.511 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 1 januari 2025 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 31 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202500340/1/V3. Datum uitspraak: 31 maart 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de minister van Asiel en Migratie, 2. [de vreemdeling], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2025 in zaak nr. NL24.50289 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister. Procesverloop Bij besluit van 2 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 14 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond en de minister opgedragen de vreemdeling schadeloos te stellen.

Tegen deze uitspraak hebben de minister en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V. Senczuk, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen Het hoger beroep van de minister 1. De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van de vreemdeling geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is.

De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789. 1.1. De grief slaagt. Het hoger beroep van de vreemdeling 2. De enige grief van de vreemdeling is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister hem schadeloos moet stellen als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het EVRM. Hij betoogt dat hij, in plaats daarvan, recht heeft op schadevergoeding in de zin van artikel 106 van de Vw 2000. Daarmee zou hij een hoger geldbedrag ontvangen. 2.1. Zoals de Afdeling onder 1 heeft overwogen, is de tenuitvoerlegging van de grensdetentie van de vreemdeling niet onrechtmatig.

Hij heeft dus geen recht op schadeloosstelling of schadevergoeding. 2.2. De grief faalt. Conclusie 3. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de minister gegrond; II. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, van 14 januari 2025 in zaak nr. NL24.50289; IV. verklaart het beroep ongegrond; V. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. De Poorter lid van de enkelvoudige kamer w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2025 846-1020