Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:700 ECLI:NL:RVS:2024:700 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:700 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:700
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202302948/1/V3. Datum uitspraak: 21 februari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 2 mei 2023 in zaak nr. NL23.12352 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 2 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 van het EVRM, artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2024:700 · Raad van State: De vreemdeling heeft verder betoogd dat een overdracht naar Polen in strijd is met zijn recht op een eerlijk proces (artikel 6 van het EVRM), omdat hij dan de behandeling van zijn openstaande strafzaak in Nederland niet kan bijwonen. Met dit betoog wil de vreemdeling voorkomen dat hij wordt uitgezet. Maar in de huidige procedure wordt alleen getoetst of de vreemdeling zijn vrijheid mocht worden ontnomen. Ook als de Afdeling in deze procedure oordeelt dat de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte in bewaring heeft gesteld, betekent dat niet dat hij niet bevoegd was om hem uit te zetten. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

Keywords

AI generated
artikel 6 van het EVRM artikel 8 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 van het EVRM
De vreemdeling heeft verder betoogd dat een overdracht naar Polen in strijd is met zijn recht op een eerlijk proces (artikel 6 van het EVRM), omdat hij dan de behandeling van zijn openstaande strafzaak in Nederland niet kan bijwonen.
artikel 8 van het EVRM
De vreemdeling heeft tot slot betoogd dat de omstandigheden waaronder hij in detentie verblijft, maken dat de bewaringsmaatregel in strijd is met zijn recht op vrijheid en veiligheid (artikel 5, vierde lid, van het EVRM) en zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven (artikel 8 van het EVRM).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:4219
202302907/1/V3. Datum uitspraak: 15 november 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 1 mei 2023 in zaak nr. NL23.10925 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 9 april 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 1 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2023:2829
201904771/2/V3. Datum uitspraak: 26 juli 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 19 juni 2019 in zaak nr. NL19.13128 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 5 juni 2019 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 19 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2022:4002
202206748/1/V3. Datum uitspraak: 29 december 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 november 2022 in zaak nr. NL22.22476 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 2 november 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 17 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202302948/1/V3. Datum uitspraak: 21 februari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 2 mei 2023 in zaak nr. NL23.12352 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 2 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.G.A.M. Halfers, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft partijen verzocht om nadere schriftelijke inlichtingen te verstrekken. De staatssecretaris heeft dat gedaan, de vreemdeling niet. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. De vreemdeling heeft de Poolse nationaliteit. De staatssecretaris heeft hem op 21 april 2023 in bewaring gesteld.

Op 28 april 2023 heeft de staatssecretaris een vluchtakkoord ontvangen, waarover hij de vreemdeling op diezelfde dag heeft geïnformeerd. Na de gegrondverklaring van het beroep heeft de staatssecretaris de bewaring op 3 mei 2023 opgeheven. Volgens de rechtbank had de staatssecretaris voorafgaand aan het opleggen van de bewaringsmaatregel contact moeten zoeken met het Openbaar Ministerie (hierna: OM), om na te gaan of er bezwaren bestonden tegen de voorgenomen overdracht van de vreemdeling. Omdat de staatssecretaris dit niet had gedaan, bestond er volgens de rechtbank gelet op het beleid in paragraaf A3/6.3 van de Vc 2000 ten tijde van het opleggen van de bewaringsmaatregel geen zicht op overdracht binnen een redelijke termijn.

De staatssecretaris is het daar niet mee eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld. Het oordeel van de Afdeling over de enige grief van de staatssecretaris 2. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling onderzoek had moeten doen naar eventuele bezwaren van het OM tegen de voorgenomen overdracht. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219, onder 3, hoeft de staatssecretaris dit pas te doen zodra hij bekend is met de uitzettingsdatum of overdrachtsdatum van de vreemdeling.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Daarom slaagt de grief. Conclusie hoger beroep en bespreking beroepsgronden 3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Ook toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Daarvoor voert hij aan dat hij ten tijde van de beroepsprocedure nog steeds in bewaring verbleef, terwijl er dagelijks vluchten vertrekken naar Warschau en hij een geldige Poolse identiteitskaart heeft. De Afdeling stelt vast dat de staatssecretaris op 24 april 2023, dus op de vierde dag van de bewaring, de eerste handeling ter voorbereiding van de (feitelijke) uitzetting of overdracht heeft verricht door een uittreksel uit de Justitiële Documentatie aan het dossier toe te voegen. Op 25 april 2023 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden en op diezelfde dag heeft de staatssecretaris een vlucht aangevraagd. De Afdeling ziet in deze werkwijze geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de staatssecretaris in dit geval onvoldoende voortvarend aan de overdracht van de vreemdeling heeft gewerkt. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 10. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

5. De vreemdeling heeft verder betoogd dat een overdracht naar Polen in strijd is met zijn recht op een eerlijk proces (artikel 6 van het EVRM), omdat hij dan de behandeling van zijn openstaande strafzaak in Nederland niet kan bijwonen. Met dit betoog wil de vreemdeling voorkomen dat hij wordt uitgezet. Maar in de huidige procedure wordt alleen getoetst of de vreemdeling zijn vrijheid mocht worden ontnomen. Ook als de Afdeling in deze procedure oordeelt dat de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte in bewaring heeft gesteld, betekent dat niet dat hij niet bevoegd was om hem uit te zetten. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

6. De vreemdeling heeft tot slot betoogd dat de omstandigheden waaronder hij in detentie verblijft, maken dat de bewaringsmaatregel in strijd is met zijn recht op vrijheid en veiligheid (artikel 5, vierde lid, van het EVRM) en zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven (artikel 8 van het EVRM). Maar met dit betoog gaat de vreemdeling eraan voorbij dat de bewaringsrechter niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. Daarvoor staat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling namelijk een andere rechtsgang open.

De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 29 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:4002, onder 2. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet. Ambtshalve toetsing door de Afdeling 7. In dit geval is de staatssecretaris op 28 april 2023 bekend geworden met de overdrachtsdatum van de vreemdeling. De staatssecretaris heeft vanaf dat moment geen contact gezocht met het OM. Anders dan de staatssecretaris in zijn nadere schriftelijke inlichtingen heeft gesteld, maakt dit de bewaringsmaatregel met ingang van 28 april 2023 onrechtmatig. Het uitvragen van bezwaren tegen de voorgenomen overdracht is namelijk van belang voor de vraag of is voldaan aan de vereisten van paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc 2000.

De beantwoording van die vraag is relevant voor de toetsing van het zicht op overdracht door de rechtbank. Omdat de staatssecretaris in deze zaak in het geheel niet heeft onderzocht of het OM bezwaren had tegen de voorgenomen overdracht op 4 mei 2023, heeft de rechtbank niet kunnen controleren of op 1 mei 2023 nog was voldaan aan de vereisten in paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc 2000 en daarmee of zicht op overdracht op dat moment niet ontbrak. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219, onder 6.

8. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 28 april 2023 onrechtmatig te achten. Conclusie beroep 9. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 2 mei 2023 in zaak nr. NL23.12352; III. verklaart het beroep gegrond; IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 600,00 over de periode van 28 april 2023 tot en met 3 mei 2023, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State; V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier. w.g. Van Breda voorzitter w.g. Schippers griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2024 873-1017