Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:656 ECLI:NL:RVS:2024:656 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:656 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:656
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202301696/1/V2. Datum uitspraak: 19 februari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 februari 2023 in zaak nr. NL22.12215 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2022 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:656 · Raad van State: Daarbij verwijst hij naar de uitspraken van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1563, en van 30 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1952. Ook betoogt hij dat hij nog procesbelang heeft, omdat hij schade heeft geleden, omdat hij mogelijkheden had om in Frankrijk en in Griekenland te werken en daarmee inkomen te genereren.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:1563
Er is op grond van medische en/of sociale omstandigheden sprake van een levensontwrichtende woonsituatie die alleen opgelost kan worden met (andere) zelfstandige huisvesting; van levensontwrichting is sprake wanneer de aanvrager (of een van de leden van het huishouden), in samenhang met ernstige woonproblemen, niet meer in staat is zelfstandig te functioneren. Een zelfstandige woning is in dat geval (een substantieel deel van) de oplossing. […] 3.3.2.2. Ernstige medische redenen Onder medische redenen waarom iemand dringend woonruimte nodig heeft wordt een woonsituatie verstaan die om medische redenen levensontwrichtend is voor één of meer leden van het huishouden.
ECLI:NL:RVS:2022:1952
202201790/1/V3. Datum uitspraak: 30 juni 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 februari 2022 in zaak nr. 20/8768 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Op 2 september 2020 heeft de vreemdeling bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke overdracht aan Frankrijk op 8 september 2020.
ECLI:NL:RVS:2022:2575
202200344/1/V3. Datum uitspraak: 5 september 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 december 2021 in zaak nr. 21/5424 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 27 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Bij uitspraak van 23 december 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2023:4606
202205236/1/R1. Datum uitspraak: 13 december 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Abound B.V., gevestigd te 's-Heer Arendskerke, gemeente Goes, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 2 augustus 2022 in zaak nr. 21/2887 in het geding tussen: Abound en het college van burgemeester en wethouders van Borsele. Procesverloop Bij besluit van 11 november 2020 heeft het college aan Abound een last onder dwangsom opgelegd om het gebruik van recreatiewoningen voor de huisvesting van arbeidsmigranten op recreatiepark Stelleplas te beëindigen en beëindigd te houden.
ECLI:NL:RVS:2019:1084
201806051/1/V3. Datum uitspraak: 8 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 juli 2018 in zaak nr. NL18.10957 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 8 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202301696/1/V2. Datum uitspraak: 19 februari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 februari 2023 in zaak nr. NL22.12215 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2022 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod afgewezen.

Bij uitspraak van 24 februari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Bij besluit van 31 mei 2023 heeft de staatssecretaris het inreisverbod opgeheven. De vreemdeling heeft het door hem ingestelde hoger beroep gehandhaafd. Hij betoogt dat hij nog procesbelang heeft, omdat hij in beroep en hoger beroep heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten.

Daarbij verwijst hij naar de uitspraken van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1563, en van 30 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1952. Ook betoogt hij dat hij nog procesbelang heeft, omdat hij schade heeft geleden, omdat hij mogelijkheden had om in Frankrijk en in Griekenland te werken en daarmee inkomen te genereren.

2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met het opheffen van het inreisverbod heeft de vreemdeling het doel van deze procedure bereikt. Daarom heeft hij geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep. De vraag of de staatssecretaris moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten, vormt geen aanleiding om het hoger beroep inhoudelijk te beoordelen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2575). De uitspraken van de Afdeling van 9 mei 2018 en 30 juni 2022 maken dat niet anders, omdat het daarin gaat over procesbelang vanwege een verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten, terwijl in deze zaak geen sprake is van besluitvorming in bezwaar.

Ook de door de vreemdeling gestelde schade vormt die aanleiding niet. Weliswaar kan procesbelang bestaan, indien de vreemdeling stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming, maar daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4606). Hierin is de vreemdeling niet geslaagd. Hij heeft alleen gesteld dat hij mogelijkheden had om in Frankrijk of Griekenland te werken, maar heeft dat verder in het geheel niet onderbouwd.

3. Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris toch tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084). Dat heeft hij in dit geval niet gedaan. De staatssecretaris heeft het besluit van 31 mei 2023 namelijk genomen naar aanleiding van een door de vreemdeling op 13 februari 2023 gedaan nieuw verzoek om het inreisverbod op te heffen. Bij dat verzoek heeft de vreemdeling volgens de staatssecretaris wel alle benodigde bewijsstukken overgelegd.

4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Graat griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2024 307-1087