Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:4966 ECLI:NL:RVS:2024:4966 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4966 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:4966
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202306753/1/V3. Datum uitspraak: 4 december 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 oktober 2023 in zaak nr. NL23.19108 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op een aanvraag om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4966 · Raad van State: D.H. Yabasun, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Wat de vreemdelingen in hun hogerberoepschrift in de eerste en de tweede grief hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2024:2643
202305953/1/V1. Datum uitspraak: 3 juli 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdelingen], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 augustus 2023 in zaak nr. NL23.20361 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen. Bij uitspraak van 22 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris binnen vier weken alsnog een besluit op de aanvragen bekendmaakt, binnen acht weken als hij gelegenheid tot herstel van verzuimen biedt, binnen zestien weken als hij nader onderzoek in de vorm van een identificerend gehoor of DNA-onderzoek aanbiedt en binnen twintig weken als hij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt, en aan de vreemdelingen een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
ECLI:NL:RVS:2024:2642
202303230/1/V1. Datum uitspraak: 3 juli 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 april 2023 in zaak nr. NL23.3224 in het geding tussen: [de vreemdeling] en [referent] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling en referent hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202306753/1/V3. Datum uitspraak: 4 december 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 oktober 2023 in zaak nr. NL23.19108 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op een aanvraag om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.

Bij uitspraak van 6 oktober 2023 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de staatssecretaris opgedragen binnen acht weken dan wel, indien hij binnen die termijn heeft beslist tot nader onderzoek, binnen twintig weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdelingen een dwangsom moet betalen van € 100,00 voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr.

D.H. Yabasun, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Wat de vreemdelingen in hun hogerberoepschrift in de eerste en de tweede grief hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1.

Deze grieven gaan over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraken van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2643, over de beslistermijn die de rechter bij een nareisaanvraag stelt, en ECLI:NL:RVS:2024:2642, over de vraag wanneer deze beslistermijn ingaat).

2. In de derde grief betogen de vreemdelingen terecht dat de rechtbank ten onrechte de minister niet heeft opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank behoorde dit wel te doen, omdat zij het beroep gegrond heeft verklaard. Deze grief slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister op te dragen het door de vreemdelingen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 184,00 te vergoeden, en voor het overige worden bevestigd. De minister moet dat griffierecht alsnog vergoeden, evenals het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 274,00. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden, bestaande uit 1 punt voor het hogerberoepschrift met wegingsfactor 0,5 omdat de zaak uitsluitend gaat over het niet tijdig nemen van een besluit en van eenvoudige aard is.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 oktober 2023 in zaak nr. NL23.19108, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie op te dragen het door de vreemdelingen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden; III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier. w.g. Verheij lid van de enkelvoudige kamer w.g. Dallinga griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024 18-1111