Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:4902 ECLI:NL:RVS:2024:4902 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4902 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:4902
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202302578/1/V2. Datum uitspraak: 29 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 28 april 2022 en haar einduitspraak van 19 april 2023 in zaak nr. NL22.4846 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 64 van de Vw 2000; ECLI:NL:RVS:2024:4902 · Raad van State: Bij aanvullend besluit van 2 februari 2023 heeft de staatssecretaris opnieuw geweigerd krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. Bij uitspraak van 19 april 2023 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit 15 maart 2022, aangevuld bij besluit van 2 februari 2023, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraken heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Hijma, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1.

Keywords

AI generated
artikel 64 van de Vw 2000

Cited Legislation

AI generated
artikel 64 van de Vw 2000
Ook heeft hij ambtshalve geweigerd krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft en geweigerd de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2024:1188
202207185/1/V1.Datum uitspraak: 27 maart 2024 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 december 2022 in zaak nr. NL22.11176 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 24 mei 2019 en 31 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 18 mei 2022, aangevuld bij besluit van 26 oktober 2022, heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2010:BO6324
Procesverloop Bij besluit van 19 december 2003 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een verzoek van de vreemdeling om hem met toepassing van de in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) neergelegde discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 19 december 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'medische behandeling' te verlenen, afgewezen en bepaald dat uitzetting van de vreemdeling op de voet van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) achterwege wordt gelaten tot 29 juni 2006.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202302578/1/V2. Datum uitspraak: 29 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 28 april 2022 en haar einduitspraak van 19 april 2023 in zaak nr. NL22.4846 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 15 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Ook heeft hij ambtshalve geweigerd krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft en geweigerd de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Bij tussenuitspraak van 28 april 2022 heeft de rechtbank de vreemdeling in de gelegenheid gesteld de benodigde stukken en toestemmingsverklaringen bij de staatssecretaris in te dienen ten behoeve van een onderzoek van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) en de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om het BMA om advies te vragen en zijn besluit nader te motiveren of een nieuw besluit te nemen.

Bij aanvullend besluit van 2 februari 2023 heeft de staatssecretaris opnieuw geweigerd krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. Bij uitspraak van 19 april 2023 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit 15 maart 2022, aangevuld bij besluit van 2 februari 2023, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraken heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Hijma, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1.

Gelet op wat de Afdeling in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5 tot en met 5.4, heeft overwogen, klaagt de vreemdeling in de eerste grief tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er tussen de vreemdeling en haar meerderjarige kinderen geen familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. Verder klaagt zij tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister een belangenafweging had moeten maken. De minister heeft in de beoordeling namelijk alle individuele feiten en omstandigheden van de vreemdeling en haar meerderjarige kinderen betrokken.

De minister mocht daarom volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Dat betekent dat hij in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken. De grief faalt.

2. Wat de vreemdeling in de tweede grief aanvoert, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.1. De grief gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 1 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO6324, onder 2.6.2, over de vergewisplicht van de minister dat bij de daadwerkelijke verwijdering aan de door het BMA gestelde voorwaarde van fysieke overdracht wordt voldaan). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraken van de rechtbank worden bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraken. Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier. w.g. Stoové lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Kesteren griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2024 897-1047