Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:4895 ECLI:NL:RVS:2024:4895 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4895 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:4895
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202402007/1/A2. Datum uitspraak: 25 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 maart 2024 in zaak nr. 22/2760 in het geding tussen: [appellant] en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR). Openbare zitting gehouden op 25 november 2024 om 13:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer; mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2024:4895 · Raad van State: 202402007/1/A2. Datum uitspraak: 25 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 maart 2024 in zaak nr. 22/2760 in het geding tussen: [appellant] en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR). Openbare zitting gehouden op 25 november 2024 om 13:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer; mr.

Keywords

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 25 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 maart 2024 in zaak nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202402007/1/A2. Datum uitspraak: 25 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 maart 2024 in zaak nr. 22/2760 in het geding tussen: [appellant] en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR). Openbare zitting gehouden op 25 november 2024 om 13:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer; mr.

M.M. Engele, griffier. Verschenen: [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het CBR, vertegenwoordigd door mr. drs. M.M. Kleijbeuker. Bij besluit van 17 juni 2022 heeft het CBR aan [appellant] een onderzoek naar drugsgebruik opgelegd. Omdat [appellant] de kosten voor dat onderzoek niet heeft betaald, heeft het CBR bij besluit van 2 augustus 2022 het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het CBR bij besluit van 17 oktober 2022 ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 17 oktober 2022 ongegrond is verklaard.

De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak. Gronden De Afdeling overweegt dat deze zaak alleen nog gaat over de vraag of het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig heeft mogen verklaren omdat [appellant] niet heeft betaald voor het onderzoek naar drugsgebruik. Beslissend is het antwoord op de vraag of [appellant] wist of kon weten dat zij het onderzoek moest ondergaan. De gronden die [appellant] daarover in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zouden zijn.

De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder rechtsoverweging 5 tot en met 6.1 opgenomen overwegingen. Het CBR heeft de brief op juiste wijze aan [appellant] verzonden. De brief van 17 juni 2022 is namelijk aangetekend verzonden en met een handtekening voor ontvangst bij de woning van [appellant] uitgereikt. De brief is bovendien ook per gewone post aan haar toegezonden. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Daalder lid van de enkelvoudige kamer w.g. Engele griffier 1033