Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:4665 ECLI:NL:RVS:2024:4665 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4665 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:4665
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202306669/1/A2. Datum uitspraak: 4 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 29 september 2023 in zaak nr. 23/561 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college). Openbare zitting gehouden op 4 november 2024 om 11:30 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2024:4665 · Raad van State: 202306669/1/A2. Datum uitspraak: 4 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 29 september 2023 in zaak nr. 23/561 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college). Openbare zitting gehouden op 4 november 2024 om 11:30 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr.

Keywords

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202306669/1/A2. Datum uitspraak: 4 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 29 september 2023 in zaak nr. 23/561 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college). Openbare zitting gehouden op 4 november 2024 om 11:30 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr.

J.M. Willems, voorzitter Griffier: mr. O. van Loon Jurist: mr. A.J.Q. Oskam Verschenen: Het college, vertegenwoordigd door P. Koenhen en mr. A. Slotboom. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 29 september 2023 van de rechtbank Noord-­Holland. Beslissing De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Motivering De achtergrond van dit geschil is dat het college de tweede aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring heeft afgewezen. Het college heeft zich na het advies dat Argonaut in het kader van de eerste aanvraag na medisch onderzoek van [appellant] heeft gegeven op het standpunt gesteld dat hij niet in staat is om zelfstandig te wonen maar intensieve begeleiding nodig heeft met een vorm van begeleid wonen, en hem geadviseerd daartoe contact op te nemen met het sociaal wijkteam.

Het college heeft geconcludeerd dat het huisvestingsprobleem door [appellant] kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening (artikel 2.5.5, eerste lid en onder d, van de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2021). De rechtbank is van oordeel dat het college om deze reden geen aanleiding heeft hoeven zien om de urgentieverklaring te verlenen. Zij is [appellant] niet gevolgd in zijn stelling dat het sociaal wijkteam en het Leger des Heils hem niet willen helpen, omdat uit het dossier blijkt dat - zoals het college ook zegt - [appellant] begeleiding niet accepteert, afspraken niet nakomt en geen medewerking verleent om tot een oplossing te komen.

De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de motivering daarvan, onder overwegingen 5.1 tot en met 5.3, en ziet geen aanleiding om anders te oordelen. Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g.

Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Loon griffier 284-1067