Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:4501 ECLI:NL:RVS:2024:4501 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4501 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:4501
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202302932/1/R4. Datum uitspraak: 6 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Utrecht, appellante, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden­Nederland (hierna: de rechtbank) van 30 maart 2023 in zaak nr. 22/2769 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor het zonder omgevingsvergunning aanbrengen en in stand houden van wijzigingen aan een gemeentelijk monument aan de [locatie] in Utrecht (hierna: de woning).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4501 · Raad van State: De financiële gevolgen van de overtreding komen volgens het college voor rekening en risico van [appellante]. 7.3. Het beroep van [appellante] op het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2024 kan haar niet baten, omdat in de voorliggende handhavingszaak geen betekenis toekomt aan artikel 7:204, tweede lid, van het BW dat betrekking heeft op de verplichtingen van de verhuurder bij een overeenkomst van huur. 7.4. De Afdeling is van oordeel dat het college terecht heeft geoordeeld dat handhaving niet onevenredig is. Zoals ook in de handhavingsstrategie van de gemeente Utrecht is opgenomen, heeft het behoud van monumenten een hoge prioriteit.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2024:619
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 10559878 CV EXPL 23-8728 vonnis van: 2 februari 2024 fno.: 515 vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, nader te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. H.M. Meijerink, t e g e n de besloten vennootschap FAMONGO B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, nader te noemen: Famongo, gemachtigde: mr. M. van Schie. VERLOOP VAN DE PROCEDURE - dagvaarding van 7 juni 2023, met producties;- antwoord, met producties;- instructievonnis;- dagbepaling mondelinge behandeling. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 december 2023. [eiseres] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Famongo is verschenen bij [naam 1] , vergezeld door de gemachtigde en mr. D.S. Kanhai. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn door partijen nog stukken in het geding gebracht. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ook zijn door beide partijen pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten 1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.1. [eiseres] is sinds 1 november 2016 huurster van de woning aan de [adres] , hierna de woning. Het betreft een zelfstandige woonruimte van circa 75 m2 op de tweede, derde en vierde verdieping. De aanvangshuurprijs bedroeg € 1.500,00 per maand. Thans is de huurprijs € 1.655,90 per maand. 1.2. Het pand waarin de woning zich bevindt is een rijksmonument uit 1665. 1.3. Bij brief van 24 februari 2023 heeft de gemachtigde van [eiseres] de beheerder [beheerder] aangeschreven in verband met een gebrek. In de brief is vermeld, voor zover hier van belang: “Mevrouw [eiseres] , huurster van de door u verhuurde woning met het adres [adres] en mevrouw [naam 2] , huurster van de woning [adres] hebben mij gevraagd hun belangen te behartigen inzake het volgende. Cliënten huren de woningen sinds 1 november 2016 ( [eiseres] ) en 1 september 2020 ( [naam 2] ) (..) Beide woningen zijn niet adequaat geïsoleerd: de ramen zijn van enkel glas en hoewel er in de woning van [naam 2] aan de voorzijde voorzetramen zijn geplaatst, ontbreken die aan de achterzijde. Ook ontbreekt op de bovenverdieping, in de woning van [eiseres] , isolatie onder het dak en ook de muren van de slaapkamers zijn onvoldoende bestand tegen de koude. Cliënten worden hierdoor in hun woongenot geschaad. Op de vraag van mevrouw [eiseres] om tot isolatie over te gaan is namens u door de heer [naam 3] negatief geantwoord. Cliënten zijn echter van mening dat sprake is van het woongenot ernstig schadende gebreken die door de verhuurder dienen te worden verholpen. (..) De woningen van cliënten zijn weliswaar onderdeel van een monument en niet gebouwd met isolerende ramen en dakisolatie, maar dat neemt niet weg dat een huurder in de jaren 20 van deze eeuw mag verwachten dat een dergelijke isolatie aanwezig is, dan wel wordt aangebracht, zeker als sprake is van opvallende tocht en koude” 1.4. In een e-mail van 12 juli 2023 aan de heer [naam 1] , heeft architect [architect] , van [architectenbureau] architecten het volgende aan Famongo bericht, voor zover hier van belang: “U heeft mij gevraagd of het verbeteren van de isolatiewaarden van de [adres] als het herstellen van een gebrek of als woningverbetering te beschouwen is. [adres] is een monument en opgericht lang voor de overheid eisen stelde aan thermische isolatie van gebouwen. Volgens het huidige bouwbesluit worden geen thermische isolatie eisen gesteld aan bestaande bouw. Daardoor is het zo dat er geen hogere eis geldt dan op het moment van de oprichting / laatst verleende vergunning gold (het zgn rechtens verkregen niveau). In dit geval is het rechtens verkregen niveau gelijk aan bestaande bouw en gelden er geen eisen mbt de thermische isolatie. Het is met het oog op het energieverbruik en wooncomfort, zeker een goed idee de thermische isolatie van de woning te verbeteren, maar deze maatregelen zijn dan te beschouwen als woningverbetering.” 1.5. Op 20 september 2023 heeft Famongo een omgevingsvergunning verkregen voor het uitvoeren van isolatiewerkzaamheden. 1.6. In een offerte van [bedrijf] van 5 augustus 2023 zijn de kosten van de isolatiewerkzaamheden begroot op € 35.292.91. Deze werkzaamheden zien op het vervangen van de kozijnen, ramen en deuren en het voorzien van vacuümglas. Vordering 2. [eiseres] vordert veroordeling van Famongo tot het verhelpen van de volgende gebreken door Het vervangen van het enkel glas in de schuiframen aan de voorzijde door het uitdiepen van de glassponning tot ca 20 mm en het plaatsen van een dunne variant dubbel glas (10 mm, U waarde 1,8 tot 2,6) of vacuümglas (7 mm, u-waarde 0,7) en het aanbrengen van een Vr-strip in de zijsponning en tochtstrip bij de onderdorpel en wissellat; Het vervangen van het enkel glas in het stolpraam aan de voorzijde (op vlieringniveau) op eenzelfde wijze als onder 1. Het dichten van de forse naden rond het binnenraam van de beide (dubbele) glas-in-lood zolderramen, dan wel het plaatsen van in het kozijn van het buitenraam conform de schuiframen (als onder 1.) en het dichten van de kieren van het buitenraam (en de ramen met glas-in-lood ongewijzigd te handhaven); Het vervangen van de (niet monumentale) bestaande ramen in de keuken en dakkapellen door een dunne variant dubbel glas of vacuüm glas met plaatsing van een glaslat op de binnenzijde van het raamhout en kierdichting; Plaatsing van een aantal ventilatieroosters (met een ventilatiepan) in het dak en roosters in het niet monumentale raam bij de keuken en het niet monumentale raam in de achtergevel woonkamer; Isoleren van de bestaande binnen-voorzetwand van de gevel in overleg met de Afdeling Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam; Het verbeteren van de isolatiewaarde van het dak door aan de binnenzijde een hoogwaardigere geïsoleerde afwerking aan te brengen; Een en ander te verrichten naar eisen van goed vakmanschap en uiterlijk binnen een periode van vier maanden na het wijzen van het vonnis of straffe van een dwangsom van € 50.000,00, alles met veroordeling van Famongo in de kosten van dit geding. [eiseres] stelt daartoe dat een huurwoning die niet of slecht geïsoleerd is, waar het enkel glas wel enige bescherming biedt, maar niet de bescherming die in de huidige tijd van een woning en een raam mag worden verwacht, namelijk bescherming tegen kou en overmatig gebruik van de verwarmingsinstallatie en waar de dak- en gevelisolatie zo gebrekkig is dat deze een bron van koude vormt en waar de ventilatie vooral bestaat uit tocht van de ramen, niet (meer) voldoet aan de normen die men mag verwachten van een goed onderhouden woning. De huidige toestand van de woning is daarom gebrekkig in de zin van artikel 7:204 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, aldus [eiseres] . De wetgever heeft met het begrip gebrek willen aansluiten op het non-conformiteitsbeginsel uit het consumentenrecht. Conformiteit ziet niet op de gehuurde zaak zelf, maar op het huurgenot. Het woord gebrek ziet dus niet op een gebrekkige zaak, maar op gebrekkig huurgenot, zodat een gebrek ook gelegen kan zijn in de aanwezigheid van gebrekkig functionerende ramen en wanden. Dit gebrek wordt in het geval van [eiseres] extra pregnant omdat zij deels wel het genot heeft dat zij mag verwachten, namelijk het dubbel glas aan de achterzijde van de woonkamer en in een slaapkamer. [eiseres] heeft daarbij nog verwezen naar het asbest in de woning, dat inmiddels een gebrek in de woning oplevert indien het een potentieel genotbeperkende factor is. Verweer 3. Famongo verweert zich tegen de vordering en voert daartoe het volgende aan, kort weergegeven. Van een gebrek als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW is geen sprake, aldus Famongo. Daarbij is allereerst relevant dat [eiseres] bij het aangaan van de huurovereenkomst op de hoogte was dat zij een woning ging huren in een oud monumentaal pand. Het is een feit van algemene bekendheid dat de isolatiekwaliteit van een dergelijke woning minder is dan van een nieuwbouwwoning. Famongo betwist verder dat sprake is van enigerlei vorm van genotsbeperking. Een deel van de gevorderde herstellingen, onder 3. dient door de huurder bovendien zelf gedaan te worden, nu het valt onder het besluit kleine herstellingen. Verder zijn de gevorderde maatregelen woningverbeteringen, waarbij Famongo verwijst naar het Beleidsboek huurverhogingen na woningverbeteringen van 1 juli 2023. Daarin zijn onder andere het vervangen van enkel glas door dubbel glas opgenomen, alsmede het aanbrengen van isolerende voorzieningen. Artikel 7:243 BW biedt de huurder bovendien de mogelijkheid om verhuurder te verplichten voorzieningen aan te brengen. Woningverbeteringen kunnen niet worden afgedwongen via de gebrekenregeling. Ten slotte heeft Famongo nog opgemerkt dat zij niet onwelwillend staat tegen de verzoeken van [eiseres] , maar dat zij daarvoor wel een passende huurverhoging wenst Beoordeling 4. Bij de beoordeling wordt het volgende in aanmerking genomen. Een gebrek is een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. De term gebrek betreft niet zozeer de verhuurde zaak, maar de door de verhuurder te leveren prestatie, namelijk het verschaffen van het huurgenot dat de huurder mag verwachten. Een gebrek is dan ook niet beperkt tot manco’s in de materiele toestand, maar omvat ook ‘immateriële’ gebreken. Het begrip gebrek heeft een ruime strekking. Volgens HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7337, biedt de tekst van art. 7:204 lid 2 BW noch de wetsgeschiedenis een aanknopingspunt voor een enge uitleg van het begrip gebrek. Daarbij wees de Hoge Raad op de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis: “Alle genotbeperkende omstandigheden die niet aan de huurder zijn toe te rekenen, vormen een gebrek. Slechts duidelijkheidshalve en zonder tot het maken van onderscheid te nopen noemt lid 2 van deze omstandigheden nog in het bijzonder die welke het meest voorkomen: een staat of eigenschap van de gehuurde zaak. Daarmee is niet enkel de stoffelijke toestand van de zaak op zichzelf bedoeld, maar elke op de zaak betrekking hebbende omstandigheid die het genot ervan beperkt (…)” (MvT, Kamerstukken II, 1997-1998, 26 089, nr. 3, p. 14) en: "Blijkens de omschrijving in lid 2 heeft het begrip "gebrek", zoals ook in de toelichting is uiteengezet, een ruime betekenis: daarbij gaat het niet alleen om de staat van de gehuurde zaak of de materiële eigenschappen daarvan, maar ook om iedere andere omstandigheid die eraan in de weg staat dat de huurder het verwachte genot van de zaak heeft. Door deze in de wet neergelegde omschrijving bestaat niet het gevaar dat het begrip "gebrek", zoals men wellicht op het eerste gezicht geneigd zou zijn te doen, louter in materiële zin wordt opgevat." (Nota n.a.v. het Verslag, Kamerstukken II, 1999-2000, 26 089, nr. 6, p. 6). Verder bevat artikel 7:204 BW een wettelijk objectieve kwaliteitsnorm: het komt aan op de genotsverwachting van een huurder ten aanzien van een goed onderhouden zaak van de soort als is verhuurd. Deze objectivering beoogt te bewerkstelligen dat de huurder aanspraak kan maken op een huurobject van behoorlijke kwaliteit. Vooral van belang voor woonruimte is dat de wetgever de kwaliteit van het woningbestand wenst te bevorderen. Uit artikel 7:204 lid 2 BW volgt verder dat voor de vraag of sprake is van een gebrek, irrelevant is of de aanwezigheid ervan aan de verhuurder kan worden toegerekend. Ten slotte wordt nog overwogen dat een gebrek geen statisch begrip is, zoals terecht door [eiseres] is opgemerkt. Ontwikkelingen in het gehuurde, maar ook in de omgeving, kunnen er dus toe leiden dat een gebrek ontstaat. Niet valt in te zien dat een omslag in denken in de samenleving over het te verwachten genot van een woning daar niet onder zou kunnen vallen. Wat in het verleden normaal was, hoeft dat heden ten dage niet meer te zijn en kan onder een gebrek als bedoeld in dit artikel vallen. 5. Het betreft hier een woning in een historisch 17e-eeuws pand in het centrum van Amsterdam met een huur van meer dan € 1.650,00 per maand. Het enkele feit dat een betere isolatie van de woning mogelijk is leidt nog niet tot de conclusie dat daarmee sprake is van een gebrek. Het debat tussen partijen spitst zich vooral toe op de vraag of enkel glas in de woning als een gebrek moet worden aangemerkt. Daarbij is allereerst relevant, zoals terecht door [eiseres] is opgemerkt, om de energiecrisis en het in de maatschappij breed gedragen besef om in dat verband noodzakelijke energiebesparende maatregelen te nemen daarbij te betrekken. Daarin is ook reeds voor 2016, het moment van het huren van de woning door [eiseres] , en daarna een groeiend besef van de noodzaak van deze maatregelen gekomen. Daarbij kan enerzijds gedacht worden aan het vervolgdebat naar aanleiding van de klimaattop in Parijs in 2015 en de latere klimaattoppen, maar bijvoorbeeld ook de Urgenda-uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:2006). Deze maatschappelijk ontwikkelingen weerleggen het verweer van Famongo dat het enkele feit dat [eiseres] wist dat zij een woning met gedeeltelijk enkel glas ging huren tot de conclusie moet leiden dat enkel glas dus geen gebrek kan zijn. Bovendien blijkt uit de wetgeschiedenis bij artikel 7:204 lid 2 BW dat het enkele feit dat de huurder bij aanvang van de huur bekend is met een omstandigheid die het huurgenot beperkt, niet betekent dat die omstandigheid geen gebrek zou kunnen opleveren. Anderzijds spelen de sterk gestegen energieprijzen een rol van betekenis. Als gevolg daarvan immers vormen voor een huishouden – in het algemeen gesproken, partijen hebben in de onderhavige zaak daarover geen gegevens verstrekt - de kosten voor verwarming van een slecht geïsoleerde woning een steeds groter en onevenredig deel van de maandelijkse uitgaven. Isolatiemaatregelen als dubbel glas kunnen een belangrijke dempende invloed op deze kosten hebben en daarmee de woonlasten voor de huurder betaalbaar houden. Ook wordt in aanmerking genomen, naar onweersproken door [eiseres] is gesteld, dat inmiddels in een ruime meerderheid van de huurwoningen van particuliere verhuurders (81% noemt [eiseres] ) sprake is van dubbel glas, zodat ook daaruit kan worden afgeleid dat in die sector de aanwezigheid van dubbel glas inmiddels als normaal wordt gezien. Ten slotte kan ook verwezen worden naar voornemen van de Minister om (als onderdeel van het wetsvoorstel Betaalbare huur) het woningwaarderingsstelsel voor zelfstandige woonruimte aan te passen in die zin dat voor energie labels E,F en G aftrekpunten gaan gelden. Verder blijkt uit het door [eiseres] overgelegde onderzoeksrapport waarop de warmtebeelden van de woning te zien zijn, dat het duidelijk is dat het verlies aan warmte van het enkel glas ten opzichte van het dubbel glas in de woning aanzienlijk is. 6. Dat de woning deel uitmaakt van een monument en stamt uit de 17e eeuw speelt bij de beoordeling over de aanwezigheid van enkel glas geen rol. Allereerst niet nu in de woning inmiddels andere aanpassingen aan het comfort van deze tijd hebben plaatsgevonden en de norm over welk huurgenot in het verleden verwacht mocht worden, niet de maatstaf voor vandaag meer kan zijn. Bovendien is in de woning inmiddels deels ook dubbel glas aanwezig en heeft Famongo ook een vergunning en een offerte gevraagd en verkregen voor het realiseren van dubbel glas, zodat van feitelijke onmogelijkheid tot het aanbrengen van dubbel glas geen sprake is. Gesteld noch gebleken is dat de uitgaven voor het aanbrengen daarvan tot exorbitant hoge uitgaven bij Famongo zouden leiden. 7. Voor zover Famongo wenst te betogen dat aan artikel 7:243 BW het argument kan worden ontleend dat thans enkel glas nog steeds aanvaardbaar is, wordt zij daarin niet gevolgd. Allereerst omdat dit artikel op 1 april 2007 is ingevoerd en dat de ontwikkelingen sindsdien kunnen meebrengen dat het ontbreken van bijvoorbeeld dubbel glas inmiddels wel als gebrek zou kunnen worden aangemerkt. Dat artikel spreekt bovendien slechts van het thermisch isoleren van de uitwendige scheidingsconstructie, zonder daarbij een maatstaf te geven over welke isolatie ‘normaal’ is. Verder kan worden gewezen op het feit dat een CV-ketel met een opwekkingsrendement van 80% inmiddels verouderd is. Ten aanzien van de verwijzing door Famongo naar de wetgeschiedenis van artikel 7:243 BW waaruit zou volgen dat energiebesparende verbeteringen in de regel niet kunnen worden afgedwongen via de gebrekenregeling geldt het volgende. Er zijn situaties waarin een gebrekkige isolatie wél als gebrek kwalificeert (bijvoorbeeld in combinatie met een koudebrug). Is dat het geval, dan staat artikel 7:243 BW niet in de weg aan de vordering tot hertstel daarvan. De volgorde is dat eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een gebrek. Is dat het geval dan is artikel 7:243 BW niet van toepassing op de beoogde maatregel. 8. Al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat de aanwezigheid van enkel glas thans bij een woning als de onderhavige als gebrek moet worden aangemerkt, en dat Famongo gehouden is deze gebreken te verhelpen. Ten aanzien van de overige door [eiseres] gevorderde aanpassingen van het gehuurde geldt dit niet, mede door het ontbreken van een adequate onderbouwing. Daarom zullen de vorderingen die betrekking hebben op isolatie van de voorzetwanden (sub 6) en het dak (sub 7) alsmede de plaatsing van een isolatierooster (sub 5) worden afgewezen. Het gebrek onder 3 wordt, anders dan Famongo heeft betoogd, niet aangemerkt als een kleine herstelling waarvoor [eiseres] als huurder de kosten dient te dragen, omdat het gaat om forse naden en kieren die niet met een voor de huurder gebruikelijke maatregel als een tochtstrip zijn te verhelpen, zodat ook deze vordering toewijsbaar is. 9. Bij het vorenstaande oordeel heeft de kantonrechter zich er rekenschap van gegeven dat nog redelijk recent in het politieke debat de vraag of de aanwezigheid van een slecht energielabel voor een huurder moet kunnen leiden tot een afdwingbare huurverlaging niet tot besluitvorming in die zin heeft geleid, zoals ook namens [eiseres] is opgemerkt. Ook is de inhoud van de brief van de Minister van 19 januari 2024 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023-2024, 27926, nr. 380) bij de beoordeling betrokken. Daaruit wordt afgeleid dat de Minister op dit moment enkel glas niet als gebrek wil aanmerken omdat dit (negatieve) invloeden heeft op andere onderdelen van zijn beleid. In deze brief wordt niet opgemerkt dat enkel glas geen gebrek zou kunnen zijn. Uit de brief kan juist worden afgeleid dat de Minister juist maatregelen beoogt te nemen om enkel glas weg te werken. Het is aan de Minister om algemeen beleid te voeren en de diverse onderdelen daarvan in balans te brengen. In een individuele zaak dient echter te worden beoordeeld of daarin aan de wettelijke maatstaf voor een gebrek wordt voldaan. Het argument van de Minister in de brief dat een algemene kwalificatie van enkel glas als gebrek een integrale aanpak van de isolatie van woningen zou belemmeren gaat in deze zaak in elk geval niet op. Blijkens de stukken wil de verhuurder de vervanging van enkel glas juist in het kader van een integrale aanpak van de isolatie uitvoeren. Dit alles maakt derhalve vorenstaande afweging niet anders, al is het maar omdat zoals hiervoor al is overwogen de Minister ook het voornemen bekend heeft gemaakt (als onderdeel van het wetsvoorstel Betaalbare huur) het woningwaarderingsstelsel voor zelfstandige woonruimte aan te passen in die zin dat voor energie labels E,F en G aftrekpunten gaan gelden. 10. De hiervoor genoemde vorderingen 1 tot en met 4 zijn derhalve toewijsbaar. [eiseres] heeft verklaard dat zij gelet op het principiële karakter van de beslissing, ermee kan instemmen dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Tegen die achtergrond is het opleggen van een dwangsom in dit stadium ook niet aan de orde. 11. Bij deze uitslag wordt Famongo als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van dit geding. BESLISSING De kantonrechter: veroordeelt Famongo tot het verhelpen van de gebreken door: het vervangen van het enkel glas in de schuiframen aan de voorzijde door het uitdiepen van de glassponning tot ca 20 mm en het plaatsen van een dunne variant dubbel glas (10 mm, U waarde 1,8 tot 2,6) of vacuümglas (7 mm, u-waarde 0,7) en het aanbrengen van een Vr-strip in de zijsponning en tochtstrip bij de onderdorpel en wissellat; het vervangen van het enkel glas in het stolpraam aan de voorzijde (op vlieringniveau) op eenzelfde wijze als onder 1; het dichten van de forse naden rond het binnenraam van de beide (dubbele) glas-in-lood zolderramen, dan wel het plaatsen van in het kozijn van het buitenraam conform de schuiframen (als onder 1.) en het dichten van de kieren van het buitenraam (en de ramen met glas-in-lood ongewijzigd te handhaven); het vervangen van de (niet monumentale) bestaande ramen in de keuken en dakkapellen door een dunne variant dubbel glas of vacuüm glas met plaatsing van een glaslat op de binnenzijde van het raamhout en kierdichting; Een en ander te verrichten naar eisen van goed vakmanschap en uiterlijk binnen een periode van vier maanden na het wijzen van het vonnis; veroordeelt Famongo in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:exploot € 131,85salaris € 164,00griffierecht € 86,00 -----------------totaal € 381,85voor zover van toepassing, inclusief btw; veroordeelt Famongo in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 68,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw; veroordeelt Famongo in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan. Als Famongo niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Famongo ook de wettelijke/Btag kosten van betekening betalen; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202302932/1/R4. Datum uitspraak: 6 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Utrecht, appellante, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden­Nederland (hierna: de rechtbank) van 30 maart 2023 in zaak nr. 22/2769 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor het zonder omgevingsvergunning aanbrengen en in stand houden van wijzigingen aan een gemeentelijk monument aan de [locatie] in Utrecht (hierna: de woning).

Bij besluit van 1 juni 2022 heeft het college op het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar beslist door de in het besluit van 24 februari 2022 vervatte lastgeving te wijzigen en de motivering aan te vullen. Bij tussenuitspraak van 2 november 2022 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een gebrek in het besluit van 1 juni 2022 te herstellen (hierna: de tussenuitspraak). Bij besluit van 27 december 2022 heeft het college op het door [appellante] gemaakte bezwaar beslist door de in het besluit van 24 februari 2022 vervatte lastgeving te wijzigen en de motivering aan te vullen (hierna: het herstelbesluit).

Het herstelbesluit vervangt het besluit van 1 juni 2022. Bij einduitspraak van 30 maart 2023 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 1 juni 2022 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep van [appellante] tegen het herstelbesluit gegrond verklaard, het herstelbesluit vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op de lastgeving, en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het herstelbesluit (hierna: de einduitspraak). Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2024, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. N.J. van Polanen, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 24 februari 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellante] is eigenaresse en bewoonster van de woning. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante], zonder over een daartoe noodzakelijke omgevingsvergunning te beschikken, wijzigingen aan de woning heeft laten aanbrengen door houten kozijnen met enkel glas, al dan niet samen met de bijbehorende waterdorpels, te laten vervangen door kunststof kozijnen met HR++glas.

Het gaat om raamkozijnen en waterdorpels op de eerste en tweede verdieping in de voor- en achtergevel, het deurkozijn op de eerste verdieping in de achtergevel en twee raamkozijnen op de begane grond in de achtergevel (hierna samen: de kozijnen). Het college heeft vastgesteld dat [appellante] artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 6 van de Monumentenverordening Utrecht 2010, en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo heeft overtreden door zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning wijzigingen aan te brengen aan een monument.

Het college heeft [appellante] gelast om de overtreding te herstellen en hersteld te houden. De in de besluiten opgelegde last 3. Bij het besluit van 24 februari 2022 heeft het college [appellante] gelast om: -I. uiterlijk op 2 mei 2022 een herstelplan voor de kozijnen aan te leveren; -II. uiterlijk vier weken na de goedkeuring van het herstelplan een ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen ten behoeve van herstelwerkzaamheden conform het goedgekeurde herstelplan; -III. uiterlijk twaalf weken na beslissing op de vergunningaanvraag de herstelwerkzaamheden volledig te hebben (laten) uitgevoerd volgens de verleende omgevingsvergunning en het goedgekeurde herstelplan.

Als de last niet of onvolledig binnen de gestelde termijnen wordt uitgevoerd, dan verbeurt [appellante] eenmalig een dwangsom van € 10.000,00.

4. Bij het besluit op bezwaar van 1 juni 2022 heeft het college punt III als volgt gewijzigd: "uiterlijk 6 weken na het onherroepelijk worden van de beslissing op vergunningaanvraag de herstelwerkzaamheden volledig te hebben (laten) uitgevoerd conform de verleende omgevingsvergunning en het goedgekeurde herstelplan." 5. Bij het herstelbesluit heeft het college de eerder opgelegde last gewijzigd door [appellante] te gelasten om de kozijnen conform een vooraf ter goedkeuring in te dienen uitvoeringsplan weer terug te (laten) brengen en te (laten) houden in de oude staat zoals beschreven in bijlage 2 bij het herstelbesluit.

Het uitvoeringsplan moet worden ingediend binnen zes weken na de einduitspraak en de begunstigingstermijn voor het ongedaan maken van de overtreding wordt gesteld op negen maanden na de goedkeuring van het uitvoeringsplan. Als de last niet of onvolledig binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd, dan verbeurt [appellante] eenmalig een dwangsom van € 10.000,00. De einduitspraak 6. In de einduitspraak, onder 14, heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van [appellante] tegen het herstelbesluit gegrond is, omdat het college in het herstelbesluit de begunstigingstermijn en de dwangsom ten onrechte heeft verbonden aan het indienen van een goed te keuren uitvoeringsplan.

In zoverre moet het herstelbesluit volgens de rechtbank worden vernietigd. In de einduitspraak, onder 15, staat dat de rechtbank aanleiding ziet om zelf in de zaak te voorzien door de lastgeving in het herstelbesluit zodanig te wijzigen dat [appellante] wordt gelast om: "[de kozijnen] weer terug te (laten) brengen en te (laten) houden in de staat zoals beschreven in [bijlage 2 bij het herstelbesluit]. Het is noodzakelijk dat u de herstelwerkzaamheden uitvoert dan wel laat uitvoeren op een zodanige wijze dat hiermee de monumentwaarden niet verder worden-aangetast.

Met het vooraf ter goedkeuring bij de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht in te dienen uitvoeringsplan willen wij voorkomen dat wij opnieuw voor voldongen feiten komen te staan, te meer nu het hier om een gemeentelijk monument gaat. […] De begunstigingstermijn voor het ongedaan maken van de overtreding stellen wij op 10 maanden na de [einduitspraak]." In de einduitspraak, onder 16, heeft de rechtbank overwogen dat de last onder dwangsom voor het overige in stand blijft. Het hoger beroep 7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat handhaving in dit geval niet onevenredig is omdat het college redelijkerwijs heeft kunnen stellen dat meer gewicht toekomt aan het behoud van Utrechts bouwkundig cultureel erfgoed en aan het algemeen belang dat bij handhaving is gediend dan aan de door [appellante] gestelde belangen. [appellante] voert aan dat het naar schatting ten minste € 55.000,00 kost om aan de last te voldoen en dat deze kosten niet in verhouding staan tot de schade die volgens het college door de overtreding is ontstaan aan een gemeentelijk monument.

Daarbij acht [appellante] van belang dat, zeker van een afstand, nauwelijks is te zien dat de kozijnen van kunststof zijn gemaakt en dat de kozijnen in de achtergevel door een schutting niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Daarnaast leidt de last tot milieuschade, omdat goede kunststof kozijnen met HR++glas moeten worden vernietigd en de woning weer teruggaat naar energielabel G. [appellante] verwijst naar een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:619, waarin de civiele rechter heeft geoordeeld dat enkel glas in een huurwoning als die waarop de betreffende vordering betrekking heeft, is aan te merken als een gebrek als bedoeld in artikel 7:204, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna:

BW). Gelet daarop acht [appellante] de eis van het college om de kozijnen terug te brengen in de oude staat met enkel glas onredelijk. Bovendien acht [appellante] die eis in strijd met de duurzaamheidsambities van de overheid. Verder voert [appellante] aan dat zij door de handhaving en de miscommunicatie daarover van de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht veel stress heeft ondervonden die tot schade aan haar gezondheid heeft geleid. Gelet hierop is handhaving onevenredig, zo betoogt [appellante]. Ten slotte voert [appellante] aan dat de angst van het college voor precedentwerking onterecht is, gelet op wat er in het advies van de commissie omgevingskwaliteit Utrecht van 11 september 2023 over de afwezigheid van precedentwerking is vermeld. 7.1.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. 7.2.

In het herstelbesluit heeft het college de opgelegde last niet onevenredig geacht. Het college heeft daarbij gewezen op de Handhavingsstrategie Bestaande Bouw gemeente Utrecht 2017 waarin het behoud van Utrechts bouwkundig cultureel erfgoed als doelstelling is opgenomen. Daarin staat ook dat handhavend optreden tegen strijdigheden met de Monumentenwet of Monumentenverordening een hoge prioriteit heeft. Dat duurzaamheid binnen de gemeente ook een hoge prioriteit heeft, betekent volgens het college niet automatisch dat het belang bij het behouden van de kunststof kozijnen in dit geval het zwaarste moet wegen.

Volgens het college gaat er ongewenste precedentwerking uit van niet handhavend optreden tegen het gebruik van kunststof kozijnen in monumenten. Verder heeft het college gewezen op de mogelijkheid van verduurzaming van monumenten, waarbij de monumentale waarde intact wordt gelaten. Het college heeft erop gewezen dat de aanwijzing van de woning tot gemeentelijk monument niet alleen betrekking heeft op de voorgevel, maar ook op de achtergevel. Het belang dat is gediend bij het behoud van de monumentale en cultuurhistorische waarden van de woning prevaleert volgens het college boven het financiële belang van [appellante] bij het behoud van de kunststof kozijnen.

De financiële gevolgen van de overtreding komen volgens het college voor rekening en risico van [appellante]. 7.3. Het beroep van [appellante] op het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2024 kan haar niet baten, omdat in de voorliggende handhavingszaak geen betekenis toekomt aan artikel 7:204, tweede lid, van het BW dat betrekking heeft op de verplichtingen van de verhuurder bij een overeenkomst van huur. 7.4. De Afdeling is van oordeel dat het college terecht heeft geoordeeld dat handhaving niet onevenredig is. Zoals ook in de handhavingsstrategie van de gemeente Utrecht is opgenomen, heeft het behoud van monumenten een hoge prioriteit.

Het algemeen belang dat bij dat behoud is gediend staat bij deze handhaving voorop. Dat dit algemeen belang voor [appellante] forse financiële gevolgen heeft, maakt deze handhaving niet onevenredig omdat zij zonder de benodigde vergunning aan te vragen de kozijnen heeft vervangen en deze kosten dus voor haar rekening en risico komen. Dat het terugbrengen van de kozijnen in de eerdere staat betekent dat duurzaam en energiebesparend glas en kozijnen weer moeten worden vervangen, betekent ook niet dat handhaving onevenredig is gelet op de in dit geval met handhaving te dienen doelen.

Dat doel is namelijk het behoud van monumenten en dat doel wordt niet bereikt als oorspronkelijke ramen en kozijnen, die het monumentale karakter deels bepalen, steeds zouden kunnen worden vervangen door kunststof kozijnen met HR++ glas. Het betoog van [appellante] dat niet had moeten worden gehandhaafd omdat voor precedentwerking, zeker wat betreft de achtergevel, niet hoeft te worden gevreesd, slaagt ook niet. Gelet op het grote aantal monumenten in vergelijkbare omstandigheden als het pand van [appellante] heeft het college precedentwerking mee mogen wegen bij het oordeel of handhaving evenredig is.

Alles afwegende betekent dit dat het college terecht geen reden heeft gezien om van handhaving af te zien. Het betoog slaagt niet.

8. Het betoog van [appellante] geeft dus geen aanleiding voor vernietiging van de einduitspraak. Tegen de wijze waarop de rechtbank de last heeft geformuleerd, hiervoor onder 6 weergegeven, heeft [appellante] geen specifiek betoog gericht. In hoger beroep zijn [appellante] en het college er bovendien van uitgegaan dat de rechtbank, door zelf in de zaak te voorzien, de last aldus heeft gewijzigd. De rechtbank heeft echter nagelaten die wijziging in het dictum van de einduitspraak tot uitdrukking te brengen. Daarom heeft de beslissing van de rechtbank dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het herstelbesluit niet tot gevolg dat de last gaat luiden zoals door de rechtbank is beoogd.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding om de einduitspraak gedeeltelijk te vernietigen en in deze uitspraak de last alsnog aan te passen. Het hoger beroep is daarom ook gegrond. Dat betekent echter niet dat [appellante] gelijk krijgt. De last blijft door deze uitspraak in stand. Conclusie 9. Het hoger beroep is dus gegrond. De einduitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het herstelbesluit en heeft nagelaten te bepalen hoe het vernietigde gedeelte van het herstelbesluit moet luiden.

De Afdeling zal de tussenuitspraak en de einduitspraak voor het overige, voor zover aangevallen, bevestigen.

10. De Afdeling zal op de volgende wijze zelf in de zaak voorzien. De Afdeling zal bepalen dat [appellante], onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 ineens, wordt gelast om de in het herstelbesluit geconstateerde overtredingen te beëindigen door de kozijnen uiterlijk zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak, overeenkomstig een vooraf bij de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht in te dienen uitvoeringsplan, terug te brengen in een staat als omschreven in bijlage 2 bij het herstelbesluit, en die overtredingen beëindigd te houden.

Daarbij zal de Afdeling bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde gedeelte van het herstelbesluit. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het college op de zitting van de Afdeling te kennen heeft gegeven dat het [appellante] tot drie maanden na die uitspraak de tijd wil geven om aan de last te voldoen. Die termijn acht de Afdeling wat kort, zodat de Afdeling de termijn op zes maanden stelt. Ook is van belang dat een medewerker van de gemeente bij een e-mailbericht van 4 februari 2024 aan [appellante] te kennen heeft gegeven dat de begunstigingstermijn uit coulance is verlengd tot na de uitspraak van de Afdeling op het door Van der-Linden-Osinga ingestelde hoger beroep.

Op het moment van doen van deze uitspraak is de begunstigingstermijn dus nog niet verstreken en zijn geen dwangsommen verbeurd. De begunstigingstermijn begint dus te lopen vanaf de dag van verzending van deze uitspraak.

11. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden­-Nederland van 30 maart 2023 in zaak nr. 22/2769 gegrond; II. vernietigt die uitspraak, voor zover de voorzieningenrechter daarbij heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 27 december 2022, kenmerk 9861644, en heeft nagelaten te bepalen hoe het aldus vernietigde gedeelte moet luiden;

III. bevestigt die uitspraak en de daaraan voorafgaande tussenuitspraak voor het overige, voor zover aangevallen; IV. bepaalt dat [appellante], onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 ineens, wordt gelast om de in het besluit van 27 december 2022, kenmerk 9861644, geconstateerde overtredingen te beëindigen door de raamkozijnen en waterdorpels op de eerste en tweede verdieping in de voor- en achtergevel, het deurkozijn op de eerste verdieping in de achtergevel en twee raamkozijnen op de begane grond in de achtergevel van het pand aan de [locatie] in Utrecht uiterlijk zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak, overeenkomstig een vooraf bij de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht in te dienen uitvoeringsplan, terug te brengen in een staat als omschreven in bijlage 2 bij dat besluit, en die overtredingen beëindigd te houden;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland vernietigde gedeelte van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 27 december 2022, kenmerk 9861644; VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 32,19; VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier. w.g. Van Gastel lid van de enkelvoudige kamer w.g. Robben griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2024 610-1110