Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:442 ECLI:NL:RVS:2024:442 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:442 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:442
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202305576/1/V3. Datum uitspraak: 5 februari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2023 in zaak nr. NL23.22685 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 6 augustus 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 23 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:442 · Raad van State: 202305576/1/V3. Datum uitspraak: 5 februari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2023 in zaak nr. NL23.22685 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 6 augustus 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 23 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202305576/1/V3. Datum uitspraak: 5 februari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2023 in zaak nr. NL23.22685 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 6 augustus 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 23 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat onder meer over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraken van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451, onder 8.1 en 8.2, en 29 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:315, onder 3 tot en met 5, over de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken en de beoordeling of een asielaanvraag zich nog leent voor behandeling in de grensprocedure).

Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

2. Gelet op wat onder 1.1 is overwogen, kan er redelijkerwijs ook geen twijfel bestaan over het antwoord op de door de vreemdeling in grief 2 opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16 en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Schippers griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2024 873