Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:4295 ECLI:NL:RVS:2024:4295 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4295 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:4295
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202206120/1/V3. Datum uitspraak: 24 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 30 september 2022 in zaak nr. NL21.8497 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 27 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4295 · Raad van State: De vreemdeling komt namelijk tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank over het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië en over het gezinsleven tussen hem en zijn moeder. Dat betekent dat de afwijzing van zijn asielaanvraag stand houdt, ongeacht zijn werkelijke geboortedatum. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:3951
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.
ECLI:NL:RVS:2010:BM0213
Procesverloop In deze uitspraak wordt waar nodig onder de staatssecretaris van Justitie tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant sub 1] om vergoeding van schade afgewezen. Bij besluit van 13 mei 2008 heeft de staatssecretaris het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 mei 2009, verzonden op 11 juni 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover dat ziet op afwijzing van het om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, het besluit van 13 mei 2008 in zoverre vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris aan [appellant sub 1] € 1.500,00 toekent aan schadevergoeding.
ECLI:NL:RVS:2024:2276
202108163/3/V3. Datum uitspraak: 5 juni 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van: [de vreemdeling], verzoeker. Procesverloop Bij uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4620, heeft de Afdeling het onderzoek in de zaak heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Partijen hebben niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten. Overwegingen 1. De vreemdeling heeft een verzoek ingediend om een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202206120/1/V3. Datum uitspraak: 24 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 30 september 2022 in zaak nr. NL21.8497 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 27 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 30 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.I. Siers, advocaat in Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen Het hoger beroep 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling bestrijdt het oordeel van de rechtbank over de leeftijdsregistratie, maar die rechtsvraag heeft in deze zaak geen zelfstandige betekenis.

De vreemdeling komt namelijk tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank over het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië en over het gezinsleven tussen hem en zijn moeder. Dat betekent dat de afwijzing van zijn asielaanvraag stand houdt, ongeacht zijn werkelijke geboortedatum. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Overschrijding redelijke termijn 2. De vreemdeling heeft verzocht om schadevergoeding, omdat volgens hem de redelijke termijn voor het beslissen op zijn asielaanvraag van 20 juni 2018 is overschreden. De Afdeling wijst dit verzoek toe en legt hieronder uit waarom. 2.1. De minister heeft op 30 oktober 2018 op de asielaanvraag beslist en op diezelfde dag heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen dat besluit. De rechtbank heeft dat besluit op 21 december 2018 vernietigd, waarna de minister hoger beroep heeft ingesteld. De Afdeling heeft dat hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard in de uitspraak van 22 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3951.

De minister heeft op 27 mei 2021 opnieuw op de asielaanvraag beslist en de vreemdeling heeft op 3 juni 2021 beroep ingesteld tegen dat besluit. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 30 september 2022. De vreemdeling heeft daartegen op 26 oktober 2022 hoger beroep ingesteld en daarop doet de Afdeling vandaag uitspraak. 2.2. In een geval als dit, waarin vernietiging door de rechtbank van een besluit leidt tot herhaalde besluitvorming door de minister op de oorspronkelijke aanvraag, moet de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend.

De Afdeling verwijst naar de uitspraak van 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0213, onder 2.7.1. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. De Afdeling verwijst naar de uitspraak van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2276, onder 2. 2.3. Uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, veroordeelt de Afdeling de minister tot betaling van een bedrag van € 2.000,00 aan de vreemdeling, als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade, wegens overschrijding van de redelijke termijn, met toepassing van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

Conclusie 3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden voor het hoger beroep. De minister moet wel de proceskosten vergoeden voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling stelt deze vast op € 437,50 (1 punt met een wegingsfactor 0,5).

4. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.000,00 aan de vreemdeling, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening; III. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier. w.g. Drop lid van de enkelvoudige kamer w.g. Buntjer griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024 962