Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:4276 ECLI:NL:RVS:2024:4276 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4276 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:4276
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202302493/1/R2. Datum uitspraak: 23 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend in Udenhout, gemeente Tilburg, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 29 maart 2023 in zaak nr. 22/1756 in het geding tussen: appellanten en het college van burgemeester en wethouders van Tilburg Procesverloop Bij besluit van 23 september 2021 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een voedselbos met poel op het perceel [locatie] in Udenhout.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2024:4276 · Raad van State: Het perceel waarop het voedselbos wordt aangelegd heeft in het bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch met Waarden". Artikel 5.1.1, van de planregels van het bestemmingsplan luidt: "De voor "Agrarisch met Waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen." 4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2896, ro. 3.3) zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een bouwplan ― of zoals hier het gebruik ― in strijd is met het bestemmingsplan.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:2896
Duivenakker B.V. en Nettorama Verbruikersmarkten B.V., respectievelijk gevestigd in Horst en Oosterhout, 2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Gemert, 3. [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B], respectievelijk gevestigd in Gemert en wonend in Heeswijk Dinther, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 september 2018 in zaken nrs. 17/2719, 17/2727, 17/2737, 17/2759 en 17/2761 in het geding tussen onder meer: Duivenakker en Nettorama Verbruikersmarkten, [appellant sub 2] en anderen, [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] en het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.
ECLI:NL:RVS:2019:3579
201900177/1/A1. Datum uitspraak: 23 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Ingen, gemeente Buren, 2. Stichting Milieuwerkgroep Buren e.o., gevestigd te Beusichem, gemeente Buren (hierna: SMB), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 november 2018 in zaken nrs. 18/5635, 18/6047, 18/5634 en 18/6046 in het geding tussen: [appellant sub 1] en SMB en het college van burgemeester en wethouders van Buren. Procesverloop Bij besluit van 8 februari 2018 heeft het college Beleggingsonderneming Utrecht-West B.V. omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een boomkwekerij en een uitrit aan de Woudstraat/Verhuizensestraat ong. te Ingen (hierna: het perceel).
ECLI:NL:RVS:2021:1897
202002402/1/R3. Datum uitspraak: 25 augustus 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 februari 2020 in zaak nr. 19/145 in het geding tussen: [wederpartij] en het college. Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2018 heeft het college aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat hij het aanmeren met een Nautic Loft in jachthaven ’t Fissertje (hierna: de jachthaven) aan de Beatrixlaan 42 in Kaag binnen twee weken moet beëindigen en beëindigd moet houden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202302493/1/R2. Datum uitspraak: 23 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend in Udenhout, gemeente Tilburg, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 29 maart 2023 in zaak nr. 22/1756 in het geding tussen: appellanten en het college van burgemeester en wethouders van Tilburg Procesverloop Bij besluit van 23 september 2021 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een voedselbos met poel op het perceel [locatie] in Udenhout.

Bij besluit van 17 februari 2022 heeft college het daartegen door [appellant A] en [appellant B] ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant A] en [appellant B] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 27 augustus 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. De omgevingsvergunning heeft betrekking op de aanplant van een zogeheten voedselbos van ongeveer een halve hectare en de aanleg van een poel. Het voedselbos moet onderdeel gaan uitmaken van een gesloten ecosysteem en bestaat uit 500 struiken en bomen die bedoeld zijn voor de oogst van fruit en noten. Het hoger beroep 3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het voedselbos past binnen de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch met Waarden" van het bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012.

De uitleg van de rechtbank, dat met het enkele gebruik van de grond om te komen tot het voedselbos reeds sprake is van bodemexploitatie als bedoeld in de bestemmingsomschrijving, is te beperkt. Voor een juiste uitleg van het begrip exploitatie moet volgens hen, bij gebrek aan een definitie in de planregels, worden aangesloten bij de omschrijving in Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal. Daarin wordt "exploiteren" omschreven als "drijven, runnen om er winst mee te maken". Het is helemaal niet zeker dat met het voedselbos winst zal worden behaald en de vergunninghouder beoogt dat ook niet.

Het voedselbos wordt niet uit commerciële overwegingen aangelegd zodat niet met recht kan worden gesproken van exploitatie van de bodem, aldus [appellant A] en [appellant B].

4. Het perceel waarop het voedselbos wordt aangelegd heeft in het bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch met Waarden". Artikel 5.1.1, van de planregels van het bestemmingsplan luidt: "De voor "Agrarisch met Waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen." 4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2896, ro. 3.3) zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een bouwplan ― of zoals hier het gebruik ― in strijd is met het bestemmingsplan.

Zoals volgt uit de uitspraak van 23 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3579, ro. 15.2) dienen planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk te worden uitgelegd. De rechtszekerheid vereist immers dat van wat in het bestemmingsplan is bepaald, in beginsel dient te worden uitgegaan. Verder volgt uit de hiervoor genoemde uitspraak van 28 augustus 2019 dat de niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan in zoverre betekenis heeft dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang (systematiek) duidelijk zijn" (uitspraak van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1897). 4.2.

De door [appellant A] en [appellant B] voorgestane uitleg van het begrip exploitatie volgt niet uit de letterlijke lezing van artikel 5.1.1. van de planregels. In deze bepaling zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch met Waarden" met zoveel woorden bestemd voor de exploitatie van de bodem. Voldoende is dus dat de bodem zodanig wordt bewerkt dat met het telen van gewassen producten worden voortgebracht. De door [appellant A] en [appellant B] voorgestane uitleg van artikel 5.1.1., waarbij het maken van winst een voorwaarde is, is daarin niet te lezen.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het voedselbos past binnen de bestemming "Agrarisch met Waarden". Het betoog slaagt niet.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Boermans griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024