Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:4239 ECLI:NL:RVS:2024:4239 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4239 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:4239
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202402347/1/V3. Datum uitspraak: 23 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 april 2024 in zaak nr. NL24.13727 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:4239 · Raad van State: De zaak is gelijktijdig behandeld met zaken ECLI:NL:RVS:2024:4237 en ECLI:NL:RVS:2024:4238. Overwegingen 1. Wat de vreemdeling in zijn eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, onder 4.1 en 5, over de informatieplicht van de minister uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb 2000).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2024:4237
202306014/1/V3. Datum uitspraak: 23 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling] appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 september 2023 in zaak nr. NL23.24127 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 22 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 20 september 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2024:4238
202307224/1/V3. Datum uitspraak: 23 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 november 2023 in zaak nr. NL23.35338 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 23 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2024:2979
202307843/1/V3. Datum uitspraak: 24 juli 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 december 2023 in zaak nr. NL23.37904 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 3 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 15 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202402347/1/V3. Datum uitspraak: 23 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 april 2024 in zaak nr. NL24.13727 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.A. Dorsman, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De minister en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de heer ir. G.O. Koopman benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 3 september 2024 verslag uitgebracht. De vreemdeling heeft een zienswijze ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 september 2024, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. I.M. Genee, vergezeld van J. Dominicus, en de deskundige zijn verschenen.

De zaak is gelijktijdig behandeld met zaken ECLI:NL:RVS:2024:4237 en ECLI:NL:RVS:2024:4238. Overwegingen 1. Wat de vreemdeling in zijn eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, onder 4.1 en 5, over de informatieplicht van de minister uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb 2000).

Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

2. De in de tweede grief opgeworpen vraag of de elektronische handtekening onder de maatregel van bewaring rechtsgeldig is, heeft de Afdeling bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:4237, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, volgt dat de maatregel rechtsgeldig is ondertekend en daarmee rechtsgeldig tot stand is gekomen (artikel 5.3, eerste lid, eerste zin, van het Vb 2000). Dat betekent dat ook deze grief faalt.

3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Van Dijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024 967