ECLI:NL:RVS:2024:4196 · Raad van State
Legislator summary
AI generated202302201/1/A3. Datum uitspraak: 9 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 3 maart 2023 in zaak nr. 21/5587 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Defensie. Openbare zitting gehouden op 9 oktober 2024 om 12:15 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. W. den Ouden, voorzitter Griffier: mr. F.B. van der Maesen de Sombreff Jurist: mr.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2024:4196 · Raad van State: 202302201/1/A3. Datum uitspraak: 9 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 3 maart 2023 in zaak nr. 21/5587 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Defensie. Openbare zitting gehouden op 9 oktober 2024 om 12:15 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. W. den Ouden, voorzitter Griffier: mr. F.B. van der Maesen de Sombreff Jurist: mr.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
202302201/1/A3. Datum uitspraak: 9 oktober 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 3 maart 2023 in zaak nr. 21/5587 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Defensie. Openbare zitting gehouden op 9 oktober 2024 om 12:15 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. W. den Ouden, voorzitter Griffier: mr. F.B. van der Maesen de Sombreff Jurist: mr.
R.F.I de Lange Verschenen: De minister, vertegenwoordigd door F. Eftekhari. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 maart 2023, waarin de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van de minister van 11 november 2021 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2021, waarbij is beslist op het verzoek van [appellant] om inzage van zijn persoonsgegevens, ongegrond verklaard. Beslissing: De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering: - De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister het verzoek van [appellant] heeft mogen aanmerken als een verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming. - De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat - anders dan [appellant] betoogt -de minister in het besluit van 4 juni 2021 heeft beslist op het verzoek. - In wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat dat besluit rechtens onjuist zou zijn. De Afdeling volgt hierin de uitspraak van de rechtbank. - Het hoger beroep is ongegrond.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Den Ouden lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van der Maesen de Sombreff griffier 190-1114