Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:3430 ECLI:NL:RVS:2024:3430 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:3430 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:3430
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202206807/1/V3. Datum uitspraak: 22 augustus 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 november 2022 in zaak nr. NL20.20546 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 16 december 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en bepaald dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:3430 · Raad van State: Overwegingen 1. De rechtbank heeft het besluit van 16 december 2019 vernietigd, voor zover daarin een terugkeerbesluit is genomen en aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat bij het nieuw te nemen besluit aan de vreemdeling geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd en dat hem een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid moet worden verleend.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2022:1530
202101991/1/V3. Datum uitspraak: 8 juni 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch, van 15 maart 2021 in zaak nr. NL18.7421 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Inleiding Het oordeel van de rechtbank De grieven van de staatssecretaris Volgorde van bespreking Voorvraag De momenten waarop er een terugkeerbesluit voor de vreemdeling gold De betekenis van de vormen van rechtmatig verblijf naar nationaal recht onder de Terugkeerrichtlijn Het verblijf in verband met medische uitzettingsbeletselen (artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000) Het verblijf in afwachting van de beslissing op het beroepschrift (artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000) 9 Tussenconclusie Het arrest TQ Het onderzoek naar adequate opvang Het leeftijdsonderscheid De fase tussen het nemen van het terugkeerbesluit en de fysieke verwijdering Toepassing van het arrest TQ en vervolgvragen De meeromvattende beschikking Het onderzoek naar adequate opvang in de praktijk De mogelijkheid om het onderzoek naar adequate opvang voort te zetten na het afwijzen van de asielaanvraag en de verplichting tot voortvarend handelen De asielprocedure opdelen in twee fasen Het asielbesluit en het terugkeerbesluit opsplitsen bij de derde situatie Rechtmatig verblijf naar nationaal recht bij de derde situatie Voortvarend handelen, ook na het besluit over de materiële asielaanspraken Toepassing in deze zaak Zelf voorzien Conclusie Samenvatting Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en hem opgedragen om Nederland binnen vier weken na afloop van het voorlopig verleende uitstel van vertrek te verlaten (dit laatste hierna: het terugkeerbesluit).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202206807/1/V3. Datum uitspraak: 22 augustus 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 november 2022 in zaak nr. NL20.20546 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 16 december 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en bepaald dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten.

Bij uitspraak van 21 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover daarin een terugkeerbesluit is genomen, aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend en de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen, en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M. Suurmeijer, advocaat te Stadskanaal, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen 1. De rechtbank heeft het besluit van 16 december 2019 vernietigd, voor zover daarin een terugkeerbesluit is genomen en aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat bij het nieuw te nemen besluit aan de vreemdeling geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd en dat hem een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid moet worden verleend.

2. De minister klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat bij het nieuw te nemen besluit een buitenschuldvergunning moet worden verleend en dat hij geen terugkeerbesluit mag nemen. Volgens de minister is het aan hem om te bepalen of een verblijfsvergunning moet worden verleend. Hij wijst er verder op dat hij verplicht is een terugkeerbesluit te nemen als hij vaststelt dat niet is voldaan aan de toelatings- en verblijfsvoorwaarden. 2.1 Gelet op wat de Afdeling in haar uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, onder 24 tot en met 24.2, heeft overwogen, klaagt de minister terecht dat het in de eerste plaats aan hem is om af te wegen en deugdelijk te motiveren of aan een niet-begeleide minderjarige vreemdeling van wie de asielaanvraag is afgewezen en voor wie hij heeft nagelaten om voortvarend te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank het besluit van 19 december 2019 heeft vernietigd, omdat daarin een terugkeerbesluit is genomen en aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd. Hieruit volgt dat de minister, zoals hij ook heeft erkend, een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag van de vreemdeling. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 november 2022, in zaak nr. NL20.20546, voor zover de rechtbank het besluit van 19 december 2019 heeft vernietigd, omdat daarin een terugkeerbesluit is genomen en aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend; III. bevestigt de uitspraak voor het overige. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr.

J. van de Kolk, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2024 347-1085