Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:3182 ECLI:NL:RVS:2024:3182 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:3182 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:3182
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202305158/1/V1 Datum uitspraak: 6 augustus 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdelingen] appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 augustus 2023 in zaken nrs. NL23.18449 en NL23.18450 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De vreemdelingen hebben beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:24 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2024:3182 · Raad van State: De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. De besluiten van 23 januari 2024 4. De minister is in de besluiten van 23 januari 2024 geheel aan de aanvragen van de vreemdelingen tegemoetgekomen. De vreemdelingen hebben niet laten weten zich niet met de besluiten te kunnen verenigen. Gelet hierop zijn geen beroepen van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.

Keywords

AI generated
artikel 6:24 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:24 van de Awb
Gelet hierop zijn geen beroepen van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202305158/1/V1 Datum uitspraak: 6 augustus 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdelingen] appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 augustus 2023 in zaken nrs. NL23.18449 en NL23.18450 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De vreemdelingen hebben beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 9 augustus 2023 heeft de rechtbank die beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. S. Kalu-Mollema, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld. Bij besluiten van 23 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van de vreemdelingen ingewilligd. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Overwegingen Hoger beroep 1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van de vreemdelingen tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluiten genomen op hun aanvragen van 5 juli 2022.

Dat heeft de minister bij besluiten van 23 januari 2024 wel gedaan. Met het door de minister nemen van deze besluiten hebben de vreemdelingen het doel van deze procedure bereikt. Zij hebben geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.

2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Op de door de Afdeling in de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, gestelde prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. De Afdeling is, gelet op wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak onder 22 tot en met 25 heeft overwogen, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De minister heeft na meer dan vijftien maanden na indiening van de aanvragen besluiten genomen. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.

3. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. De besluiten van 23 januari 2024 4. De minister is in de besluiten van 23 januari 2024 geheel aan de aanvragen van de vreemdelingen tegemoetgekomen. De vreemdelingen hebben niet laten weten zich niet met de besluiten te kunnen verenigen. Gelet hierop zijn geen beroepen van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g.

Gazai griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2024 966