Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:296 ECLI:NL:RVS:2024:296 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:296 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:296
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202304688/1/A3 en 202304688/2/A3. Datum uitspraak: 11 januari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het hoger beroep van: [verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), beiden wonend te [woonplaats], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2023 in zaak nr. 22/6275 in het geding tussen: [verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:86 van de Awb, artikel 4:6 van de Awb; ECLI:NL:RVS:2024:296 · Raad van State: Datum uitspraak: 11 januari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het hoger beroep van: [verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), beiden wonend te [woonplaats], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2023 in zaak nr. 22/6275 in het geding tussen: [verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:86 van de Awb artikel 4:6 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:86 van de Awb
artikel 4:6 van de Awb
Omdat [verzoeker] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, heeft het college deze aanvraag afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202304688/1/A3 en 202304688/2/A3. Datum uitspraak: 11 januari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het hoger beroep van: [verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), beiden wonend te [woonplaats], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2023 in zaak nr. 22/6275 in het geding tussen: [verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Openbare zitting gehouden op 11 januari 2024 om 10:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. N. Verheij, voorzieningenrechter griffier: mr. S.R. Renkema Verschenen: [verzoeker B], bijgestaan door mr. S.C.M. Suijkerbuijk, advocaat te Spijkenisse, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman en mr. C.W. de Jong. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 9 juni 2023 van de rechtbank Rotterdam. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Beslissing: De voorzieningenrechter I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af. Gronden: In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. [verzoeker] heeft vaker aanvragen gedaan voor het innemen van een standplaats ten behoeve van een loempiakraam op het Binnenwegplein te Rotterdam. Op 9 september 2022 heeft [verzoeker] wederom een aanvraag ingediend voor een standplaats op dezelfde locatie. Omdat [verzoeker] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, heeft het college deze aanvraag afgewezen.

Ter zitting bij de Afdeling heeft [verzoeker] niet aannemelijk kunnen maken dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag van [verzoeker] afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft dus terecht het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling zal daarom de uitspraak van de rechtbank bevestigen. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daarom zal de Afdeling afwijzen. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g.

Verheij voorzieningenrechter w.g. Renkema griffier 1071