Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:2603 ECLI:NL:RVS:2024:2603 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:2603 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:2603
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202204494/1/A3. Datum uitspraak: 26 juni 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 3 juni 2022 in zaak nrs. 21/4445 en 21/4743 in het geding tussen: [appellant] en de korpschef van politie. Procesverloop Bij besluit van 15 november 2021 heeft de korpschef twee verzoeken van [appellant] om wijziging van politiegegevens afgewezen. Bij uitspraak van 3 juni 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2138, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:2603 · Raad van State: Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2023, waar [appellant] en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. T. Gillhaus en mr. P.G.M. van der Voorn, advocaten te Den Haag, zijn verschenen. Overwegingen 1. Met twee afzonderlijke verzoeken heeft [appellant] de korpschef verzocht om op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) hem betreffende onjuiste politiegegevens te rectificeren. Bij het eerste verzoek van 12 oktober 2021 heeft [appellant] de korpschef verzocht om verbetering van het adviesrapport van de voormalige klachtencommissie van de politie Hollands Midden, district Gouwe IJssel, van 11 oktober 2010.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBMNE:2022:2138
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/2040 uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (het college), verweerder Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde belanghebbende] , gevestigd in [vestigingsplaats] , vergunninghouder (gemachtigde: W.T.H.M. Halewijn). Procesverloop Met een van het besluit van 28 maart 2022 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning (de omgevingsvergunning) verleend voor het plaatsen van twee parasols voor de duur van maximaal vijf jaar of zoveel eerder tot het moment dat de nieuwe Terrassennota in werking treedt of zoveel eerder dan dat er wordt begonnen met de herinrichting van [locatie 1] voor haar horecabedrijf aan [adres] in [vestigingsplaats] (het horecabedrijf).
ECLI:NL:RVS:2022:310
202002584/1/A3. Datum uitspraak: 2 februari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Amersfoort, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 12 maart 2020 in zaken nrs. 19/989, 19/1573 en 19/2917 in het geding tussen: [appellant] en de korpschef van politie. Procesverloop Bij besluit van 7 februari 2019 heeft de korpschef het eerste verzoek van [appellant] om verwijdering of wijziging van politiegegevens gedeeltelijk ingewilligd en gedeeltelijk afgewezen. Bij besluit van 27 mei 2019 heeft de korpschef het besluit van 7 februari 2019 aangevuld.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202204494/1/A3. Datum uitspraak: 26 juni 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 3 juni 2022 in zaak nrs. 21/4445 en 21/4743 in het geding tussen: [appellant] en de korpschef van politie. Procesverloop Bij besluit van 15 november 2021 heeft de korpschef twee verzoeken van [appellant] om wijziging van politiegegevens afgewezen. Bij uitspraak van 3 juni 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2138, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2023, waar [appellant] en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. T. Gillhaus en mr. P.G.M. van der Voorn, advocaten te Den Haag, zijn verschenen. Overwegingen 1. Met twee afzonderlijke verzoeken heeft [appellant] de korpschef verzocht om op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) hem betreffende onjuiste politiegegevens te rectificeren. Bij het eerste verzoek van 12 oktober 2021 heeft [appellant] de korpschef verzocht om verbetering van het adviesrapport van de voormalige klachtencommissie van de politie Hollands Midden, district Gouwe IJssel, van 11 oktober 2010.

Bij het tweede verzoek van 26 oktober 2021 heeft [appellant] de korpschef verzocht om verbetering van het onderzoeksrapport Ypenburg van 19 april 2000. Met het besluit van 15 november 2021 heeft de korpschef beide verzoeken afgewezen, omdat [appellant] in 2019 een soortgelijk verzoek heeft gedaan. Destijds heeft de korpschef daarop een besluit genomen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij de betreffende gegevens niet meer verwerkt. [appellant] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij de Afdeling.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef de verzoeken terecht heeft afgewezen, omdat sprake is van herhaalde verzoeken in de zin van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Anders dan [appellant] heeft gesteld, heeft de korpschef in de eerdere procedure het bestaan van de rapporten niet ontkend. Het bestaan van de rapporten maakt dan ook niet dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden ten opzichte van het eerdere verzoek, aldus de rechtbank. 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een herhaald verzoek. Hij voert daartoe aan dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, omdat de rapporten die hij wil laten wijzigen, anders dan de korpschef heeft gesteld in de eerdere procedure, nog wel bestaan.

4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Hieraan voegt de Afdeling nog toe dat de Afdeling in de uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:310, al heeft geoordeeld over de vraag of de korpschef deze gegevens nog verwerkt. [appellant] heeft geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat de korpschef de gegevens nog verwerkt. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier. w.g. Daalder lid van de enkelvoudige kamer w.g. Bindels griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024 85-1072