Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:2147 ECLI:NL:RVS:2024:2147 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:2147 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:2147
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202205506/1/V1. Datum uitspraak: 29 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 augustus 2022 in zaak nr. NL21.18513 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 29 oktober 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2024:2147 · Raad van State: Vervolgens beoordeelt hij of familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat hij daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist (stap 2). Hij maakt die beoordeling aan de hand van het jongvolwassenenbeleid in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000. Dat beleid kent vier cumulatieve vereisten. Bij de beoordeling of een meerderjarig kind aan die vereisten voldoet en bij de beoordeling van zogenoemde contra-indicaties die er volgens de staatssecretaris op kunnen wijzen dat een meerderjarig kind geen familie- of gezinsleven meer heeft met zijn ouder(s), moet de staatssecretaris ingaan op de voor dat vereiste of die contra-indicatie relevante individuele omstandigheden.

Keywords

AI generated
artikel 8 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 van het EVRM
De staatssecretaris past het toe in nareiszaken en reguliere zaken om te beoordelen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouders familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, zonder dat daarvoor ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zijn vereist.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2024:2146
202107942/1/V1. Datum uitspraak: 29 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [referent], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 november 2021 in zaak nr. NL21.5965 in het geding tussen: de vreemdeling en referent en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 december 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 23 maart 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling en referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2024:2145
202103800/1/V1. Datum uitspraak: 29 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 mei 2021 in zaak nr. 20/7126 in het geding tussen: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 22 augustus 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:2006
202104387/1/V1. Datum uitspraak: 13 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2021 in zaak nr. 20/8697 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om voor de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2024:1188
202207185/1/V1.Datum uitspraak: 27 maart 2024 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 december 2022 in zaak nr. NL22.11176 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 24 mei 2019 en 31 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 18 mei 2022, aangevuld bij besluit van 26 oktober 2022, heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2022:1918
202106513/1/V2. Datum uitspraak: 6 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 juli 2021 en haar uitspraak van 16 september 2021, beide in zaak nr. 21/1018 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 12 mei 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202205506/1/V1. Datum uitspraak: 29 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 augustus 2022 in zaak nr. NL21.18513 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 29 oktober 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 augustus 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaken nrs. 202103800/1/V1 en 202107942/1/V1, op een zitting behandeld op 5 december 2023, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr.

M.L. van Riel, rechtsbijstandverlener te Bergen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Overwegingen Achtergrond van deze zaak 1. De vreemdeling is geboren op [geboortedatum] 1996, heeft de Turkse nationaliteit en wil bij haar vader, referent, verblijven in het kader van nareis. Referent is op 10 juli 2020 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en heeft op 5 augustus 2020 mvv-aanvragen in het kader van nareis ingediend voor de vreemdeling, haar moeder en haar zusje.

De vreemdeling was toen 23 jaar oud. De staatssecretaris heeft alleen de aanvraag van de vreemdeling afgewezen. De moeder en het zusje van de vreemdeling verblijven al bij referent in Nederland. 1.1. Omdat de vreemdeling ten tijde van de mvv-aanvraag 23 jaar oud was, heeft de staatssecretaris beoordeeld of zij in aanmerking komt voor nareis op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar paragraaf C2/4.1.1, inmiddels paragraaf C2/4.1.2.1, en paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet, omdat zij in 2014 naar een andere stad is verhuisd om te studeren. De vreemdeling voldoet volgens de staatssecretaris daarom niet aan het vereiste ‘met de ouder(s) in gezinsverband samenleven’. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling en referent geen familie- of gezinsleven hebben op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het beoordelingskader voor nareisaanvragen van een meerderjarig kind en zijn ouder(s) 2.

De Afdeling heeft op de zitting de toepassing van het jongvolwassenenbeleid in nareiszaken en reguliere zaken aan de orde gesteld. Dat jongvolwassenenbeleid staat in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000. De staatssecretaris past het toe in nareiszaken en reguliere zaken om te beoordelen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouders familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, zonder dat daarvoor ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zijn vereist. In voorliggende uitspraak, en in de uitspraak van vandaag in zaak nr. 202107942/1/V1, ECLI:NL:RVS:2024:2146, gaat het om de toepassing van het jongvolwassenenbeleid in nareiszaken.

In de uitspraak van vandaag in zaak nr. 202103800/1/V1, ECLI:NL:RVS:2024:2145, gaat het om de toepassing van het jongvolwassenenbeleid in reguliere zaken. 2.1. In de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:2146, heeft de Afdeling het beoordelingskader voor nareisaanvragen van een meerderjarig kind en zijn ouder(s) uiteengezet. Uit die uitspraak, onder 7 tot en met 9.1, volgt dat de staatssecretaris eerst beoordeelt of hij een nareisaanvraag voor gezinshereniging van een meerderjarig kind en zijn ouder(s) inhoudelijk kan behandelen. Dat doet hij aan de hand van de zogeheten ‘formele vereisten’ (stap 1).

Vervolgens beoordeelt hij of familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat hij daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist (stap 2). Hij maakt die beoordeling aan de hand van het jongvolwassenenbeleid in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000. Dat beleid kent vier cumulatieve vereisten. Bij de beoordeling of een meerderjarig kind aan die vereisten voldoet en bij de beoordeling van zogenoemde contra-indicaties die er volgens de staatssecretaris op kunnen wijzen dat een meerderjarig kind geen familie- of gezinsleven meer heeft met zijn ouder(s), moet de staatssecretaris ingaan op de voor dat vereiste of die contra-indicatie relevante individuele omstandigheden.

Verder moet de staatssecretaris rekening houden met de vluchtsituatie en de door het Hof van Justitie gegeven uitleg van het begrip ‘ten laste komen van’ in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De staatssecretaris gaat over tot inwilliging van de nareisaanvraag, wanneer een vreemdeling aan het jongvolwassenenbeleid voldoet. Als een meerderjarig kind niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt de staatssecretaris of het meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven hebben gelet op bijkomende elementen van afhankelijkheid (stap 3).

De staatssecretaris gaat ook over tot inwilliging van de nareisaanvraag, wanneer er tussen de desbetreffende vreemdeling en referent bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Als de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat tussen een vreemdeling en referent geen familie- of gezinsleven bestaat op grond van het jongvolwassenenbeleid én ook niet op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid, dan hoeft hij geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken en wijst hij de aanvraag af. Als de staatssecretaris een individuele beoordeling heeft gemaakt om vast te stellen of familie- of gezinsleven bestaat tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, dan is die beoordeling in overeenstemming met de beoordeling die artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn voorschrijft.

Het hoger beroep van de staatssecretaris 3. De staatssecretaris klaagt in de eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat hij in nareiszaken een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM moet maken. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, alleen van toepassing is op reguliere gezinsherenigingsaanvragen en dat hij bij nareisaanvragen geen belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM maakt. De staatssecretaris betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn in deze zaak niet van toepassing is.

Volgens de staatssecretaris hoeft hij, voordat hij de nareisaanvraag afwijst, geen individuele eindbeoordeling in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn te maken. 3.1. De staatssecretaris betoogt terecht dat hij in nareiszaken geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM hoeft te maken. Uit de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:2146, onder 8.7 en 9, volgt dat, als de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat er tussen een vreemdeling en referent familie- of gezinsleven is, hij in de regel overgaat tot inwilliging van de nareisaanvraag.

De staatssecretaris maakt in dat geval geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Uit diezelfde uitspraak, onder 9.1, volgt dat, als de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat er tussen een vreemdeling en referent geen familie- of gezinsleven is, hij, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5.1, geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM hoeft te maken. 3.2. Anders dan de staatssecretaris betoogt, is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is in nareiszaken.

In nareiszaken wordt immers altijd voldaan aan de in artikel 3 van de Gezinsherenigingsrichtlijn opgenomen vereisten, waardoor die richtlijn van toepassing is. De staatssecretaris moet dus in elke nareiszaak voldoen aan artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De staatssecretaris betoogt wel terecht dat hij, voordat hij overgaat tot afwijzing van een nareisaanvraag van een meerderjarig kind, geen individuele eindbeoordeling in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn hoeft te maken. Uit de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:2146, onder 9.1, volgt dat de beoordeling van het familie- of gezinsleven in de zin van paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000, zoals die beoordeling in die uitspraak is uiteengezet, in overeenstemming is met de beoordeling die artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn voorschrijft.

Als de staatssecretaris zich na die individuele beoordeling op het standpunt stelt dat tussen het meerderjarig kind en zijn ouder(s) geen familie- of gezinsleven bestaat op grond van het jongvolwassenenbeleid en ook niet op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid, dan is hij dus niet verplicht om daarna nog een individuele eindbeoordeling te maken in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Hoewel de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden met eerdergenoemde uitspraken van vandaag en 27 maart 2024, heeft zij achteraf bezien ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris altijd een belangenafweging moet maken wanneer hij een nareisaanvraag afwijst. 3.3.

Hoewel de staatssecretaris deze klachten terecht voordraagt, leidt de grief, gelet op wat de Afdeling hieronder overweegt, niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. De staatssecretaris klaagt in de tweede grief over het oordeel van de rechtbank dat hij in dit geval niet heeft voldaan aan de maatstaf om te mogen afzien van het horen in bezwaar. 4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 en 5.2, is het uitgangspunt dat de staatssecretaris een vreemdeling hoort in bezwaar en moet hij terughoudend omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Gelet op alles wat de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris in dit geval redelijkerwijs niet tot het oordeel kon komen dat het bezwaar ongegrond was zonder de vreemdeling in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.

Hierbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris weliswaar voorafgaand aan het besluit van 9 februari 2021 een hoorzitting heeft gehouden, maar dat er in bezwaar sprake was van een veranderde situatie. Door de inwilliging van de mvv-aanvragen voor de moeder en het zusje van de vreemdeling, was zij inmiddels het enige achterblijvende gezinslid. 4.2. De grief faalt. Conclusie 5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt, gelet op wat de Afdeling onder 3.1 en 3.2 heeft overwogen, met verbetering van de gronden bevestigd.

Dit betekent dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar moet nemen en haar daarvoor moet horen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 548,00 wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier. w.g. Sevenster voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2024 716-1028