Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:1565 ECLI:NL:RVS:2024:1565 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:1565 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:1565
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202401253/2/R3. Datum uitspraak: 9 april 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 februari 2024 in zaak nr. 23/1910 in het geding tussen: [wederpartij A] en [wederpartij B] en het college.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2024:1565 · Raad van State: 202401253/2/R3. Datum uitspraak: 9 april 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 februari 2024 in zaak nr. 23/1910 in het geding tussen: [wederpartij A] en [wederpartij B] en het college.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202401253/2/R3. Datum uitspraak: 9 april 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 februari 2024 in zaak nr. 23/1910 in het geding tussen: [wederpartij A] en [wederpartij B] en het college.

Openbare zitting gehouden op 9 april 2024 om 13:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter griffier: mr. E.W.L. van der Heijden Verschenen: Het college, vertegenwoordigd door mr. J. Zweers, advocaat te Den Haag, mr. S. Raab en S.C. van der Weert. Het verzoek richt zich tegen de uitspraak van 9 februari 2024 van de rechtbank Overijssel. Daarin heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij A] en [wederpartij B] gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 7 augustus 2023 vernietigd, voor zover daarin is beslist dat het pand op het perceel [locatie] in Zwolle teruggebracht moet worden naar één woning.

De rechtbank heeft het college opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daarbij de voorlopige voorziening getroffen dat het primaire besluit van 7 juli 2022 wordt geschorst tot zes weken na de nieuwe beslissing op het bezwaar van het college. Het college heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat het college geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen, totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

De voorzieningenrechter: I. wijst het verzoek toe; II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 februari 2024, voor zover het college daarin is opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak; III. bepaalt dat het college geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen totdat door de Afdeling uitspraak is gedaan in de bodemzaak. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Gronden: • De voorzieningenrechter beperkt zich tot een belangenafweging.

• Alle partijen hebben aangegeven geen belang te hebben bij het door het college nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep. • De voorzieningenrechter stelt vast dat ook verder niet is gebleken van dringende noodzaak voor of een specifiek belang bij een nieuwe beslissing op bezwaar op korte termijn. w.g. Van Gastel voorzieningenrechter w.g. Van der Heijden griffier 884-1080