Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:150 ECLI:NL:RVS:2024:150 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:150 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:150
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202003123/2/R4. Datum uitspraak: 17 januari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van: [verzoeker], wonend te Lierop, gemeente Someren, Verzoeker, Procesverloop Bij uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2077, heeft de Afdeling het onderzoek in de zaak heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2024:150 · Raad van State: Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren, de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren en de behandeling van het hoger beroep hoogstens twee jaar duren. Vergelijk de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1704.

Keywords

AI generated
artikel 6 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 van het EVRM
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:2077
202003123/1/R4. Datum uitspraak: 31 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Lierop, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2020 in zaak nr. 19/1914 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Someren. Procesverloop Bij besluit van 27 november 2018 (met verzenddatum 30 november 2018) heeft het college [appellant], onder oplegging van een dwangsom, gelast om binnen 6 weken de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten op het perceel [locatie] te Lierop, bestaande uit het opknappen van personenauto’s, te beëindigen en beëindigd te houden.
ECLI:NL:RVS:2014:188
201302106/1/A2. Datum uitspraak: 29 januari 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch (lees: de rechtbank Oost-Brabant) van 1 februari 2013 in zaak nr. 12/14453 in het geding tussen: [appellanten] en de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij uitspraak van 1 februari 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant verzoeken van [appellanten] om vergoeding van schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:1704
202000252/1/A2. Datum uitspraak: 15 juni 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Werkendam, gemeente Altena, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 3 december 2019 in zaak nr. 18/8321 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Procesverloop Bij besluit van 18 december 2017 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om nadeelcompensatie afgewezen. Bij besluit van 24 oktober 2018 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202003123/2/R4. Datum uitspraak: 17 januari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van: [verzoeker], wonend te Lierop, gemeente Someren, Verzoeker, Procesverloop Bij uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2077, heeft de Afdeling het onderzoek in de zaak heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting. De Afdeling heeft het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. [verzoeker] heeft de Afdeling in een nader stuk in zaak nr. 202003123/1/R4 verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Beoordeling van het verzoek 2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is.

Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren, de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren en de behandeling van het hoger beroep hoogstens twee jaar duren. Vergelijk de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1704.

3. De redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van [verzoeker] door het college op 3 januari 2019. Met de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2023 is de procedure geëindigd, zodat de procedure in totaal meer dan 4 jaar heeft geduurd. Geen aanleiding wordt gezien om voor de vaststelling van de redelijke termijn af te wijken van een termijn van vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim 4 maanden is overschreden.

4. De volgende vraag die moet worden beantwoord is aan wie deze overschrijding moet worden toegerekend. Het college heeft binnen de redelijke behandelingsduur van zes maanden het besluit op bezwaar genomen. De rechtbank heeft binnen anderhalf jaar na het instellen van beroep een uitspraak gedaan op het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 30 november 2018. De Afdeling heeft na 3 jaar en bijna een maand uitspraak gedaan op het hoger beroep. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur van het hoger beroep met 1 jaar en bijna 1 maand is overschreden. Omdat de behandeling van het hoger beroep bij de Afdeling langer dan twee jaar heeft geduurd, is de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de Afdeling toe te rekenen.

5. Zoals uit overweging 4 volgt is de redelijke termijn, over de gehele procedure bezien, met ruim 4 maanden overschreden. De Afdeling zal, uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,00 aan [verzoeker], als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade. Slot 6. De Staat moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan A.P. [verzoeker] te betalen een vergoeding voor immateriële schade van € 500,00; II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij A.P. [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 418,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr.

H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier. w.g. Venema lid van de enkelvoudige kamer w.g. Kamphorst-Timmer griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2024 972-776