Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2024:140 ECLI:NL:RVS:2024:140 AI generated

ECLI:NL:RVS:2024:140 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2024:140
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202201862/1/R1. Datum uitspraak: 17 januari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellante], gevestigd te [plaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 maart 2022 in zaak nr. 20/3483 in het geding tussen: Vereniging van eigenaars gebouw De Eik en het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk. Procesverloop Bij besluit van 10 december 2019, verzonden op 17 december 2019, heeft het college een verzoek van Vereniging van eigenaars gebouw De Eik (hierna: de vereniging) om handhaving ten aanzien van het gebruik van het parkeerterrein op de hoek van de Eikenstraat en Cypresstraat te Beverwijk afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2024:140 · Raad van State: Volgens [appellante] wordt in artikel 12.1, onder e, van de planregels niet bepaald dat de parkeervoorzieningen alleen bedoeld zijn voor de bewoners van het appartementencomplex en is de bestemming ‘parkeervoorziening’ een zelfstandige bestemming. In de planregels staat namelijk niet dat de grond bestemd is voor woondoeleinden en de daarbij behorende parkeervoorzieningen. 5.1. De Afdeling overweegt dat de tekst van artikel 12.1, aanhef en onder e, van de regels van het bestemmingsplan bepalend is voor het antwoord op de vraag of de gerealiseerde parkeerplekken uitsluitend door de bewoners of bezoekers van het appartementencomplex mogen worden gebruikt.

Keywords

AI generated
artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2015:2833
het college van burgemeester en wethouders van Barneveld, 2.
ECLI:NL:RVS:2021:3008
202004868/1/R3. Datum uitspraak: 29 december 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te Oud Ade, gemeente Kaag en Braassem, appellante, en de raad van de gemeente Kaag en Braassem, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 13 juli 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Oude Ade" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 december 2021, waar [appellante], bijgestaan door mr.
ECLI:NL:RVS:2019:4439
201806108/1/A1. Datum uitspraak: 24 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant sub 1], wonend te Den Haag, 2. De Haagsche Brood Winkels B.V. en De Haagsche Bakkerij B.V., beide gevestigd te Den Haag en gezamenlijk handelend onder de naam [bakkerij] (hierna samen en in enkelvoud: [bakkerij]), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/3994 in het geding tussen: [appellant sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Procesverloop Bij besluit van 30 september 2016 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de panden aan de [locatie A] te Den Haag als brood- en banketbakkerij afgewezen. Bij besluit van 27 februari 2017 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 30 september 2016 herroepen en [bakkerij] onder aanzegging van een dwangsom gelast om de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten bestaande uit het (af)bakken van brood en banket te staken. Bij besluit van 21 april 2017 heeft het college het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 alsnog ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 21 april 2017 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. [bakkerij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft een zienswijze en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2019, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.C. Veltkamp-van Paassen, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, zijn verschenen. Voorts is [bakkerij], vertegenwoordigd door mr. D. Korsse, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], verschenen. De Afdeling heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en heeft partijen om nadere inlichtingen gevraagd. [appellant sub 1], [bakkerij] en het college hebben een schriftelijke reactie gegeven. [appellant sub 1] en [bakkerij] hebben daarna gereageerd op de stukken van de andere partijen. Partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van het houden van een nadere zitting. Daarop heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. [bakkerij] exploiteert een brood- en banketbakkerij en een bakkerswinkel aan de [locatie A] in Den Haag. [appellant sub 1] woont aan de [locatie B] en heeft het college op 28 juni 2016 verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van de panden als bakkerij, omdat hij daarvan nadelige gevolgen ondervindt en dit gebruik volgens hem in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingplan. Het handhavingsverzoek heeft geen betrekking op de bakkerswinkel. Het college heeft zich bij het besluit van 30 september 2016 op het standpunt gesteld dat het onbevoegd is om handhavend op te treden, omdat een overtreding zich volgens hem niet heeft voorgedaan. Het gebruik als bakkerij is toegestaan ingevolge de in het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" opgenomen gebruiksovergangsbepaling, aldus het college. Na dit besluit is, op 29 december 2016, het bestemmingsplan "Vogelwijk" in werking getreden. Vast staat dat gebruik als bakkerij van de panden [locatie A] in strijd is met de bestemming "Gemengd" die aan de gronden in dit bestemmingsplan is toegekend. Het college heeft bij besluit op bezwaar van 27 februari 2017 het besluit van 30 september 2016 herroepen en heeft een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat [bakkerij] de met het bestemmingsplan "Vogelwijk" strijdige productieactiviteiten moet beëindigen. [bakkerij] heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het college bij het besluit van 21 april 2017 het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 alsnog ongegrond verklaard, omdat is gebleken dat voor de bakkerij in het verleden bouwvergunningen zijn verleend, zodat het gebruik als bakkerij is vergund en het bestaande gebruik onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk" valt. [bakkerij] heeft hierop het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 27 februari 2017 ingetrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij wordt beschermd door het overgangsrecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het huidige gebruik van de panden aan de [locatie A] reeds ten tijde van de peildatum van 16 januari 1997 plaatsvond. Volgens de rechtbank kan niet worden gezegd dat dit gebruik niet onafgebroken is voortgezet of dat dit is vergroot ten opzichte van het gebruik op de peildatum. Relevante wettelijke bepalingen 2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Het hoger beroep van [appellant sub 1] 3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [bakkerij] geen beroep kan doen op de beschermende werking van het overgangsrecht. [appellant sub 1] voert aan dat het gebruik als bakkerij sinds 16 januari 1997 niet steeds ongewijzigd is voortgezet. Het gebruik als bakkerij is in de periode tussen 2001 en 2015 onderbroken geweest, in ieder geval wat het pand [locatie A-1] betreft, zo stelt hij. Hij wijst erop dat in die periode aan de Badhuisstraat een centrale bakkerij voor de broodproductie werd geëxploiteerd. Het pand [locatie A-1] zou verder nagenoeg gedurende heel het jaar 2015 zijn gebruikt voor horeca. Ook is het gebruik door een faillissement eind 2015 tijdelijk gestaakt, zo stelt hij. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] ook miskend dat het gebruik in de loop der jaren is geïntensiveerd, waardoor de afwijking van het geldende bestemmingsplan is vergroot. De rechtbank heeft volgens [appellant sub 1] miskend dat de omvang van het gebruik aanzienlijk is toegenomen. Door de intensivering van het gebruik van de panden zijn de (vrachtwagen)verkeers- bewegingen van en naar de bakkerij toegenomen en wordt er meer geladen en gelost en is de geluid- en geurhinder voor omwonenden aanzienlijk toegenomen, aldus [appellant sub 1]. Met name na de doorstart na het faillissement wordt door omwonenden aanzienlijk meer overlast van de bakkerij ondervonden dan voor die datum, aldus [appellant sub 1]. Volgens hem is het pand [locatie A-1] pas vanaf 2015 in gebruik genomen als bakkerij. Hij voert verder aan dat het aantal winkels waarvoor producten worden gebakken, is toegenomen. Hij wijst er verder nog op dat het bakken van zogenoemd ‘grootbrood’, te weten halve of hele broden, dat eerder ter plaatse was gestaakt, meer hinder voor de omgeving veroorzaakt dan het bakken van banket. 3.1. Bij de beoordeling of het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 april 2017 is toegestaan, is uitsluitend het bestemmingsplan "Vogelwijk", zoals dat is vastgesteld en in werking getreden, van betekenis. Aan de door [bakkerij] gestelde omstandigheid dat de raad in het bestemmingsplan "Vogelwijk" aan de percelen [locatie A] abusievelijk, wat daar verder ook van zij, een bestemming heeft toegekend die het gebruik als bakkerij niet toestaat, komt geen betekenis toe. Verder komt aan de in 1946, 1976, 1977, 1986 en 2001 verleende bouwvergunningen, voor zover die al zouden zijn verleend ten behoeve van een gebruik als bakkerij, geen zelfstandige betekenis toe na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. Het is primair aan de raad van een gemeente om te bepalen welk gebruik op een perceel is toegestaan. De raad van een gemeente heeft de mogelijkheid om ander gebruik dan bestaand legaal gebruik toe te staan op gronden indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang daarbij zwaarder weegt dan gevestigde rechten en belangen. [1] Hiermee verdraagt zich niet dat aan door het college verleende bouwvergunningen wat betreft gebruik zelfstandige betekenis toekomt na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC5236). Voor zover [bakkerij] heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij van de panden is toegestaan op grond van een in 2018 verleende omgevingsvergunning, stelt de Afdeling vast dat die vergunning uitsluitend ziet op het op het dak aanbrengen van een zilveren kast met een oppervlakte van minder dan 1 m2. Aan de omstandigheid dat op de bouwtekening op de begane grond van het pand [locatie A-2] twee keer ‘bakkerij’ is vermeld, kan niet worden afgeleid dat ook voor het gebruik als bakkerij van de begane grond een omgevingsvergunning is aangevraagd en is verleend. Het bouwplan betreft immers niet de begane grond. Dat op de bouwtekening expliciet is vermeld dat [locatie A-1] en de eerste verdieping van de [locatie A-2] niet behoren tot de aanvraag, maakt niet dat toch moet worden geoordeeld dat het gebruik van de begane grond onderdeel uitmaakt van de aanvraag. 3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, dient degene die een beroep doet op het overgangsrecht, in dit geval het college, aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk te maken dat het overgangsrecht inderdaad van toepassing is. 3.3. In artikel 27, tweede lid, onder 1, van de planregels van het bestemmingsplan "Vogelwijk" is bepaald dat gebruik dat in strijd is met de bestemming, is toegestaan, indien het bestond ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op 29 december 2016 in werking getreden. Tussen partijen is niet in geschil dat op dat moment de percelen [locatie A] als bakkerij werden gebruikt. Verder is niet in geschil dat het gebruik van de percelen ten tijde van het besluit op bezwaar van 21 april 2017 niet afwijkt van dat op genoemde peildatum. Artikel 27, tweede lid, onder 4, heeft tot gevolg dat bestaand gebruik dat in strijd was met het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" niet onder het overgangsrecht valt. Dit betekent dat bestaand gebruik dat in strijd was met de in het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" aan gronden toegekende bestemming, maar op grond van de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan was toegestaan, ook onder de reikwijdte van artikel 27, tweede lid, onder 1, van het bestemmingsplan "Vogelwijk" valt. Omdat het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] ook in strijd was met de ingevolge het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" op de percelen rustende bestemming "Gemengde doeleinden", is de in dit bestemmingsplan opgenomen gebruiksovergangsbepaling van belang. In artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" is bepaald dat bestaand gebruik dat in strijd is met het plan, mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een ander gebruik, indien door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot. Om te beoordelen of het gebruik als bakkerij valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht, neergelegd in artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", moet worden bepaald wat het bestaande gebruik was op het tijdstip van het van kracht worden van dat bestemmingsplan. Het maakt, gezien de inhoud van artikel 27, tweede lid, onder 4, anders dan bij het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk", geen verschil of dat bestaande gebruik al dan niet was toegestaan op grond van de vóór het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" geldende planologische regelingen. 3.4. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" op 16 januari 1997 van kracht is geworden. Voor de vraag wat het bestaande gebruik was op deze peildatum is de feitelijke situatie bepalend. Het college heeft ervan mogen uitgaan dat vóór die datum verleende bouwvergunningen en het gebruik dat daaruit voortvloeit, voor het feitelijke gebruik een aanwijzing kunnen vormen. Tussen partijen is niet in geschil dat het pand [locatie A-2] op de peildatum van het vorige bestemmingsplan werd gebruikt als bakkerij. De Afdeling gaat daarvan ook uit. De Afdeling begrijpt de stelling van [appellant sub 1] dat het pand [locatie A-1] tot 2015 als magazijn werd gebruikt aldus dat hij betwist dat dat pand op de peildatum werd gebruikt als bakkerij. Bij besluit van 2 oktober 1986 heeft het college aan een rechtsvoorganger van [bakkerij] een bouwvergunning verleend voor verbouwing van de panden [locatie A]. Er is vergunning verleend om onder meer de winkel en bakkerij [locatie A-2] en de winkel [locatie A-1] te veranderen en vergroten tot een winkel met bakkerij en magazijn. Uit de bouwtekening blijkt dat de muur tussen de panden op [locatie A] wordt opengebroken, waardoor de begane grond van het pand [locatie A-1] bij de productieruimte van de bakkerij op [locatie A-2] wordt getrokken. In het pand [locatie A-1] is verder op de bouwtekening een rijskast ingetekend. Nog daargelaten dat ook een magazijn het gebruik als bakkerij kan betreffen, heeft de rechtbank, gelet op wat hiervoor staat, terecht overwogen dat met de vergunning het gebruik als bakkerij van het pand [locatie A-1] is toegestaan. Uit een proces-verbaal van opname blijkt dat op 6 januari 1986 is geconstateerd dat de wijzigingen hebben plaatsgevonden overeenkomstig de verleende bouwvergunning. Gelet hierop is aannemelijk dat het gebruik als bakkerij ten behoeve waarvan is gebouwd, zich toen voordeed. Nu niet in geschil is dat dat gebruik tot aan de peildatum is voortgezet, heeft de rechtbank terecht overwogen dat aannemelijk is gemaakt dat gebruik als bakkerij van de panden [locatie A] op de peildatum 16 januari 1997 plaatsvond. Het betoog faalt in zoverre. 3.5. Over de vraag of het gebruik als bakkerij sinds 16 januari 1997 ononderbroken is voortgezet, overweegt de Afdeling dat een onderbreking van het gebruik gedurende een periode van enige betekenis aan voortzetting van dat gebruik onder het overgangsrecht in de weg kan staan, waarbij de oorzaak van de onderbreking mede van betekenis is. De rechtsvoorganger van [bakkerij] die destijds de bakkerij en winkel exploiteerde, is op 3 november 2015 failliet gegaan. Als gevolg van het faillissement hebben de werkzaamheden van de bakkerij vanaf die datum tot 19 december 2015 stilgelegen. Op 6 november 2015 werd duidelijk dat de bedrijfsactiviteiten zouden worden voortgezet, zo komt uit de stukken naar voren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het faillissement, gelet op de korte periode waarin geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden en de voorgenomen doorstart van de bedrijfsactiviteiten, er niet toe heeft geleid dat het gebruik als bakkerij voor de toepassing van het overgangsrecht als onderbroken moet worden aangemerkt. Het betoog faalt in zoverre. 3.6. [appellant sub 1] heeft over de door hem gestelde onderbreking van het gebruik als bakkerij tussen 2008 en 2015 aangevoerd dat in die periode elders in Den Haag een bakkerij werd geëxploiteerd. Ter onderbouwing van dit betoog heeft hij onder meer gewezen op krantenartikelen uit die periode en een passage in het boek "Een Haagse oase aan Zee" van november 2008, waarin staat dat er geen brood meer wordt gebakken aan de Mezenlaan. Vast staat dat in de door [appellant sub 1] genoemde periode een bakkerij aan de Badhuisstraat in Den Haag werd geëxploiteerd. De omstandigheid dat elders een bakkerij werd geëxploiteerd, betekent echter nog niet dat in de panden aan de [locatie A] geen bakkerij-activiteiten werden uitgeoefend. Niet in geschil is dat op de [locatie A-2] in die periode in ieder geval banket werd geproduceerd. Anders dan waarvan [appellant sub 1] uitgaat, is het bakken van banket ook te beschouwen als gebruik als bakkerij. De gestelde omstandigheid dat ter plaatse geen grootbrood werd gebakken, leidt dan ook niet tot het oordeel dat het gebruik als bakkerij was onderbroken. [appellant sub 1] heeft gesteld dat het gebruik als bakkerij van het perceel [locatie A-1] in 2015 gedurende enige tijd is gestaakt, omdat (een gedeelte van) dat pand zou zijn gebruikt als lunchroom en als ruimte voor het houden van verjaardagsfeestjes en workshops. Deze stelling, wat daar verder ook van zij, leidt evenmin tot de conclusie dat het gebruik als bakkerij onderbroken is geweest. De panden [locatie A] staan vanaf het moment dat ter uitvoering van de in 1986 verleende bouwvergunning een deel van de muur tussen deze panden is verwijderd, immers met elkaar in verbinding en het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] dient, mede gelet op de inhoud van die vergunning, vanaf dat moment als één geheel te worden beschouwd. Nu niet in geschil is dat steeds banket werd gebakken aan de Mezenlaan, is de rechtbank terecht ervan uitgegaan dat het gebruik als bakkerij ononderbroken is voortgezet. Het betoog faalt in zoverre. 3.7. Wat betreft de door [appellant sub 1] gestelde intensivering van het gebruik als bakkerij overweegt de Afdeling dat gebruik dat op de peildatum bestaat, onder de beschermende werking van artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" mag worden voortgezet. Het gebruik mag worden gewijzigd, zolang de afwijking van het geldende plan niet wordt vergroot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 december 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD8891) moet een intensivering van het gebruik als een verandering daarvan worden aangemerkt. Vergelijk voorts de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA2682), waarin de Afdeling heeft overwogen dat intensivering van het gebruik een vergroting van de afwijking van het bestemmingsplan naar de aard meebrengt. Voor de toepassing van artikel 18, tweede lid, van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" gaat het erom of het gebruik op de datum van van krachtwording van dat bestemmingsplan nadien niet is geïntensiveerd. Het gebruik op die datum moet worden vergeleken met het gebruik dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingplan "Vogelwijk". 3.8. Een geslaagd beroep op het in artikel 18, tweede lid, neergelegde overgangsrecht (en daarmee op artikel 27, tweede lid, onder 1, van het bestemmingsplan "Vogelwijk") kan worden gedaan, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het strijdig gebruik, na eerdere intensivering daarvan, is teruggebracht naar het gebruik zoals dat bestond op de peildatum en waarvan de aard niet is veranderd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2631). Voor zover [bakkerij] heeft gesteld dat het gebruik niet is geïntensiveerd reeds omdat de bakkerij-activiteiten steeds tot dezelfde categorie bedrijven van de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" hebben behoord, wordt overwogen dat daaraan, wat daar ook van zij, geen betekenis toekomt, aangezien de feitelijke ruimtelijke gevolgen bepalend zijn voor de toepassing van het overgangsrecht. Bij het besluit op bezwaar van 21 april 2017 heeft het college niet gemotiveerd waarom het zich op het standpunt stelt dat het gebruik als bakkerij in ruimtelijk relevant opzicht gelijk is gebleven. Zoals hiervoor is overwogen, hoeft een enkele intensivering van het gebruik niet aan een geslaagd beroep op het gebruiksovergangsrecht in de weg te staan als het gebruik op de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Vogelwijk" in ruimtelijk opzicht gelijk is aan dat van het gebruik op de peildatum. Niet is gebleken dat het college heeft onderzocht wat op die data de omvang van het gebruik en de ruimtelijke uitstraling daarvan waren. [bakkerij] heeft te kennen gegeven dat tussen 1997 en 2015 jaarlijks ongeveer 4.000 à 5.000 kg aan grondstoffen in de bakkerij is verwerkt. Naar zij stelt, werkten er tussen 2000 en 2015 steeds vier tot vijf bakkers op de Mezenlaan en werd er gebakken voor acht winkels, vijftien horecazaken en enkele hotels in Den Haag. Na het faillissement van haar rechtsvoorganger is vanaf december 2015 nog maar voor drie winkels en een restaurant gebakken, aldus [bakkerij]. [bakkerij] heeft ter zitting te kennen gegeven dat er nog stukken ter ondersteuning van haar stellingen bij de curator liggen vanwege de afwikkeling van het faillissement. De door [bakkerij] wel in de procedure ingebrachte stukken bevatten informatie over een levering van producten en vrachtwagenbewegingen, maar betreffen slechts de jaren 2013-2015. Deze stukken geven dan ook, anders dan waarvan de rechtbank lijkt te zijn uitgegaan, geen informatie over de omvang van het gebruik als bakkerij op de van belang zijnde data. Aan de door [bakkerij] gedane stellingen over de omvang van het gebruik komt niet de betekenis toe die zij daaraan toegekend wil zien, omdat deze stellingen niet met verifieerbare gegevens zijn onderbouwd. Daarbij is mede van belang dat er aanwijzingen zijn dat het gebruik mogelijk wel is geïntensiveerd. Het college heeft in 2018 aan [bakkerij] een omgevingsvergunning verleend, waarin staat dat de bakkerij in de afgelopen jaren gestaag is gegroeid in zijn activiteiten. Dit komt overeen met de strekking van de door [appellant sub 1] overgelegde schriftelijke verklaringen van omwonenden, waarin deze stellen dat de hinder van de activiteiten ter plaatse is toegenomen. Gelet op het vorenstaande heeft het college in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), ontoereikend gemotiveerd dat dat gebruik als bakkerij onder het overgangsrecht valt. Het college heeft bij de voorbereiding van zijn besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 4. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] 5. [bakkerij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het beroep van [appellant sub 1] gegrond is. Zij betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak een verkeerde peildatum heeft gehanteerd voor de toepassing van het overgangsrecht. Niet de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", te weten 16 januari 1997, is daarvoor bepalend, maar alleen de datum van inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan "Vogelwijk". Daartoe voert zij aan dat na deze datum een bouwvergunning voor de bakkerij is verleend, namelijk op 27 juli 2001, en haar in verband hiermee niet de strijdigheid van het gebruik met de bestemming kan worden tegengeworpen. Zij verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar de uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:203. 5.1. Zoals onder 3.3 is overwogen, is de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan "Vogelwijk 1996", 16 januari 1997, van betekenis voor de vraag of een beroep kan worden gedaan op het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Vogelwijk". Zoals onder 3.1 is overwogen, komt aan de in 2001 verleende bouwvergunning geen zelfstandige betekenis toe. De uitspraak van 24 januari 2018, waarop [bakkerij] heeft gewezen, ziet op een andere kwestie dan hier aan de orde. In die uitspraak ging het om de vaststelling van een bestemmingsplan, waarbij de raad van een gemeente een perceel niet had bestemd overeenkomstig het bestaande gebruik waarvoor een vergunning was verleend, terwijl in beginsel dergelijk gebruik als zodanig in het bestemmingsplan dient te worden bestemd. De vraag of in het bestemmingsplan "Vogelwijk" aan het perceel de juiste bestemming is gegeven, had destijds in de procedure over de vaststelling van dat bestemmingsplan kunnen worden opgeworpen en ligt nu niet ter beoordeling voor. Het betoog faalt. 6. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] is ongegrond. Conclusie 7. Zoals hiervoor is overwogen, is het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond en is het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [bakkerij] ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 21 april 2017 alsnog gegrond verklaren. De Afdeling ziet aanleiding het besluit op bezwaar van 21 april 2017 te vernietigen slechts voor zover daarbij het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 ongegrond is verklaard. Dit betekent dat het besluit van 21 april 2017 in stand blijft voor zover daarbij het besluit op bezwaar van 27 februari 2017 is ingetrokken. Door het besluit in zoverre in stand te laten, wordt voorkomen dat het ingetrokken besluit op bezwaar van 27 februari 2017, waarbij aan [bakkerij] een last onder dwangsom is opgelegd, herleeft zonder dat [bakkerij] daartegen nog een rechtsmiddel kan aanwenden. 7.1. Het college dient, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016. Daarbij dient het college te onderzoeken of het gebruik als bakkerij van de percelen [locatie A] op 29 december 2016, de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Vogelwijk" ten opzichte van het gebruik op de peildatum 16 januari 1997 al dan niet is geïntensiveerd. Bij de beantwoording van de vraag of het gebruik is geïntensiveerd, moet worden beoordeeld of de ruimtelijke uitstraling van het gebruik al dan niet zodanig is gewijzigd dat de afwijking van het bestemmingsplan is vergroot. Het college dient zijn nieuwe besluit op bezwaar te voorzien van een toereikende motivering. 7.2. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Proceskosten 8. Het college wordt op na te melden wijze veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1]. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond; II. verklaart het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van De Haagsche Brood Winkels B.V. en De Haagsche Bakkerij B.V. ongegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/3994; IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 21 april 2017, kenmerk B.2.16.2909.001, voor zover daarbij het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 30 september 2016 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard; VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.560,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 506,00 (zegge: vijfhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019 163-687. BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]." Bestemmingsplan "Vogelwijk" Artikel 3, eerste lid, luidt: "De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. bed & breakfast; uitsluitend op de begane grondlaag: c. dienstverlening; d. maatschappelijk; en ter plaatse van de functieaanduiding en uitsluitend op de begane grond: e. "detailhandel" (dh) tevens voor detailhandel; f. "atelier" (atl) tevens voor een atelier; één en ander zoals nader bepaald in artikel 3.3 en met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen, gebouwde en ongebouwde parkeervoorzieningen, groen, water en overige voorzieningen." Artikel 27, tweede lid, luidt: "1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het tweede lid onder 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; 3. Indien het gebruik, bedoeld in het tweede lid onder 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; 4. Het tweede lid onder 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan;" Bestemmingsplan "Vogelwijk 1996" Artikel 6, eerste lid, luidt: "Aan de gronden, welke blijkens de plankaart als zodanig zijn bestemd, zijn de volgende doeleinden toegekend: - woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen; - detailhandel, aan detailhandel verwant dienstverlening in publiekgerichte dienstverlening op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch of kosmetisch gebied, uitsluitend op de begane grondlaag. […]." Artikel 18, tweede lid, luidt: "Op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestaand gebruik van de in het plan begrepen gronden en/of daarop staande opstallen, dat in strijd is met het plan, mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een ander gebruik, indien door deze wijziging de afwijking van het plan niet wordt vergroot." ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ [1] Dit kan wanneer zicht bestaat op beëindiging van het gebruik binnen de planperiode. Met het toestaan van ander gebruik wordt het bestaande gebruik onder het overgangsrecht gebracht. Dat heeft naar zijn aard een tijdelijk karakter.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202201862/1/R1. Datum uitspraak: 17 januari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellante], gevestigd te [plaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 maart 2022 in zaak nr. 20/3483 in het geding tussen: Vereniging van eigenaars gebouw De Eik en het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk. Procesverloop Bij besluit van 10 december 2019, verzonden op 17 december 2019, heeft het college een verzoek van Vereniging van eigenaars gebouw De Eik (hierna: de vereniging) om handhaving ten aanzien van het gebruik van het parkeerterrein op de hoek van de Eikenstraat en Cypresstraat te Beverwijk afgewezen.

Bij besluit van 28 april 2020 heeft het college het door het door de vereniging daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 maart 2022 heeft de rechtbank het door de vereniging daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 april 2020 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt, met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een nader stuk ingediend.

Bij besluit van 22 november 2022 heeft het college het bezwaar van de vereniging gegrond verklaard, het besluit van 10 december 2019 herroepen en aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Het college heeft nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft het door [appellante] tegen het besluit van 22 november 2022 ingestelde beroep ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling. De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 10 maart 2023 behandeld, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem zijn verschenen.

Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 21 augustus 2019.

Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Het college heeft op 12 juni 2017 twee omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend aan [appellante] De eerste omgevingsvergunning ziet op de activiteit ‘bouwen’, namelijk het realiseren van het appartementencomplex De Eik en een parkeerterrein (een a-vergunning). De tweede omgevingsvergunning ziet op de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ (een c-vergunning). [appellante] is ook de eigenaar van het pand aan de [locatie], waarin een Vomar supermarkt is gevestigd (hierna:

Vomar). Na de hiervoor vermelde vergunningverlening voor het appartementencomplex De Eik zijn in de achtergevel van het pand aan de [locatie] schuifdeuren, die bedoeld zijn als een tweede ingang voor de Vomar supermarkt, gerealiseerd. Deze deuren geven vanaf het parkeerterrein naast het appartementencomplex toegang tot de Vomar supermarkt. De vereniging heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het parkeerterrein naast het appartementencomplex door anderen dan de eigenaren van het appartementencomplex en hun bezoekers.

Het handhavingsverzoek ziet verder op de gerealiseerde ingang van het pand op het perceel [locatie] en de afwijkingen van het parkeerterrein naast het appartementencomplex ten opzichte van de verleende vergunning. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overtreding zodat het niet bevoegd is om handhavend op te treden. In bezwaar heeft het college de afwijzing van het handhavingsverzoek gehandhaafd. Na de vernietiging van het besluit van 28 april 2020 door de rechtbank heeft het college het bezwaar van de vereniging gegrond verklaard, het besluit van 17 december 2019 herroepen en aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd.

Deze last onder dwangsom houdt in dat de twee verwijderde parkeerplaatsen opnieuw worden gerealiseerd conform de bij de omgevingsvergunning behorende tekening. Verder houdt de last onder dwangsom in dat 30 parkeerplaatsen naast het appartementencomplex alleen aan bewoners ter beschikking worden gesteld en 9 parkeerplaatsen aan bezoekers.

3. Tijdens de zitting bij de Afdeling, maar ook uit de ingediende schriftelijke stukken, is gebleken dat [appellante] in overleg was met het college over een minnelijke oplossing. De Afdeling heeft partijen enige tijd de gelegenheid geboden om dat overleg voort te zetten. Omdat het overleg uiteindelijk niet heeft geleid tot een minnelijke regeling tussen partijen, zal de Afdeling uitspraak doen in deze zaak. De uitspraak van de rechtbank 4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de parkeervoorzieningen ten behoeve van de bewoners van de te bouwen woningen in dit geval onlosmakelijk verbonden zijn met de (na de verleende omgevingsvergunningen nieuw vastgestelde) woonbestemming ter plaatse, omdat voor een wijze van bestemmen is gekozen waarbij het gehele perceel een woonbestemming heeft gekregen waarin het appartementencomplex is toegestaan.

Hieruit volgt volgens de rechtbank dat het parkeerterrein niet door derden, waaronder supermarktbezoekers, gebruikt mag worden. Het structureel gebruik van het parkeerterrein door bezoekers van de Vomar supermarkt is volgens de rechtbank daarom in strijd met het bestemmingsplan ‘Woongebied West’ (hierna: het bestemmingsplan). De rechtbank heeft verder geoordeeld dat 30 parkeerplaatsen bedoeld zijn voor alleen de bewoners van het appartementencomplex De Eik en 9 plaatsen voor bezoekers van dat complex. De overweging in de omgevingsvergunningen dat het parkeerterrein hoofdzakelijk ten dienste van de toekomstige functie wonen is, strookt volgens de rechtbank niet met een structureel gebruik van het parkeerterrein door bezoekers van Vomar.

Dat negen parkeerplaatsen voor bezoekers van het complex De Eik publiekelijk toegankelijk moeten zijn, doet volgens de rechtbank daaraan niet af. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat aan de voorwaarde in de omgevingsvergunning dat er 39 parkeerplekken moeten worden gerealiseerd ten behoeve van het appartementencomplex niet is voldaan, omdat slechts 37 parkeerplaatsen gerealiseerd zijn. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat sprake is van een gebruik in strijd met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen. Daarnaast is volgens de rechtbank niet voldaan aan de in de omgevingsvergunningen opgenomen voorwaarde voor wat betreft de realisatie van het aantal parkeerplaatsen.

Van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had dienen af te zien, is volgens de rechtbank geen sprake. Hiertegen richt het hoger beroep van [appellante] zich. Het hoger beroep van [appellante] 5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het parkeerterrein naast het appartementencomplex onlosmakelijk is verbonden met de woonbestemming ter plaatse en dat het gebruik van het parkeerterrein door derden, waaronder de bezoekers van Vomar, daarom in strijd is met het bestemmingsplan. [appellante] voert hiertoe aan dat de gronden waarop het parkeerterrein is gesitueerd ingevolge artikel 12.1 van de planregels mede bestemd is voor gebouwde en ongebouwde parkeervoorzieningen.

Volgens [appellante] wordt in artikel 12.1, onder e, van de planregels niet bepaald dat de parkeervoorzieningen alleen bedoeld zijn voor de bewoners van het appartementencomplex en is de bestemming ‘parkeervoorziening’ een zelfstandige bestemming. In de planregels staat namelijk niet dat de grond bestemd is voor woondoeleinden en de daarbij behorende parkeervoorzieningen. 5.1. De Afdeling overweegt dat de tekst van artikel 12.1, aanhef en onder e, van de regels van het bestemmingsplan bepalend is voor het antwoord op de vraag of de gerealiseerde parkeerplekken uitsluitend door de bewoners of bezoekers van het appartementencomplex mogen worden gebruikt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2833, overweging 3.1) moet een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd. Uit de tekst van artikel 12.1, aanhef en onder e, van de regels van het bestemmingsplan blijkt dat de voor "Wonen" aangewezen gronden uitdrukkelijk (mede) zijn bestemd voor parkeervoorzieningen. In het artikel staat niet dat parkeervoorzieningen ten dienste moeten staan van de bestemming "Wonen" (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:3008, overweging 5.4).

Daarom volgt de Afdeling de rechtbank niet in haar oordeel dat het parkeerterrein naast het appartementencomplex niet door derden, waaronder supermarktbezoekers, gebruikt mag worden. Het structureel gebruik van het parkeerterrein door bezoekers van de Vomar supermarkt is daarom niet in strijd met het bestemmingsplan. Voor het college bestond dan ook in zoverre geen bevoegdheid om handhavend op te treden. Het betoog van [appellante] slaagt. 6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het parkeerterrein naast het appartementencomplex in strijd met de verleende omgevingsvergunning wordt gebruikt.

De rechtbank gaat er ten onrechte vanuit dat de omgevingsvergunning een voorschrift zou bevatten hoe dat parkeerterrein moet worden gebruikt. De vergunning beoogt volgens [appellante] niet voor te schrijven dat parkeerplaatsen uitsluitend door een bewoner of bezoeker mogen worden gebruikt. 6.1. In de door het college aan [appellante] verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van 12 juni 2017 staat dat het parkeerterrein 39 parkeerplaatsen omvat, waarvan 30 plaatsen zijn bestemd voor de bewoners en de overige 9 plaatsen voor bezoekers van het te bouwen appartementencomplex.

Aan de verleende omgevingsvergunning komt wat betreft gebruik geen zelfstandige betekenis toe. In dit verband is het volgende van belang. De gronden waarop het parkeerterrein is gesitueerd, hebben na de verleende omgevingsvergunning een woonbestemming gekregen. Uit wat de Afdeling hiervoor, onder 5.1, heeft overwogen, volgt dat in artikel 12.1, aanhef en onder e, van de planregels niet staat dat de parkeervoorzieningen ten dienste moeten staan van de bestemming ‘Wonen’. Het structureel gebruik van het parkeerterrein naast het appartementencomplex door derden is daarom niet in strijd met het geldende bestemmingsplan ‘Woongebied West’.

Met de hierboven vermelde wijziging van het bestemmingsplan is een nieuw planologisch regime in werking getreden, welk planologisch regime, zoals hierboven onder 5 is uitgelegd, geen exclusief gebruiksrecht geeft aan de eigenaren en hun bezoekers van het parkeerterrein naast het appartementencomplex. Het is primair aan de raad van een gemeente om te bepalen welk gebruik op een perceel is toegestaan. (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4439, overweging 3.1). De Afdeling volgt de rechtbank daarom ook niet in haar oordeel dat het gebruik van het parkeerterrein door derden een bevoegdheid tot handhavend optreden oplevert.

Het betoog van [appellante] slaagt. 7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er slechts 37 parkeerplaatsen op het parkeerterrein naast het appartementencomplex gerealiseerd zijn, terwijl dit er 39 moeten zijn. Volgens [appellante] zijn er 39 parkeerplaatsen aangelegd, waarvan er twee later zijn verwijderd. Daarnaast is er een bijdrage in het parkeerfonds gestort voor de aanleg van negen parkeerplaatsen. In totaal zijn er door haar dus feitelijk 46 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 37 door haar zelf, en 9 in opdracht door de gemeente, maar wel betaald door haar. [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college redelijkerwijs kan besluiten af te zien van handhavend optreden.

Zij voert hiertoe aan dat zij meer parkeerplaatsen heeft aangelegd dan zij zou moeten op grond van de parkeernorm. 7.1. In de door het college aan [appellante] verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van 12 juni 2017 staat dat het parkeerterrein 39 parkeerplaatsen omvat, waarvan 30 plaatsen zijn bestemd voor de bewoners en de overige 9 plaatsen voor bezoekers van het te bebouwen complex. In de Nota van zienswijzen, die onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning, is te lezen dat er op eigen terrein 39 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden.

Omdat er nu slechts 37 parkeerplaatsen zijn, zijn er dus twee plekken te weinig gerealiseerd. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat uit de omgevingsvergunningen, bezien in samenhang met de daarvan onderdeel uitmakende zienswijzen, kan worden afgeleid dat naast genoemde 39 plekken ook nog 9 plekken in de openbare ruimte zouden worden aangelegd vanwege de reeds bestaande parkeerdruk. Er staat namelijk dat, naast deze 39 parkeerplaatsen, in de directe omgeving 9 extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte zullen worden aangelegd, omdat de bewoners boven het winkelcentrum Plantage structureel moeite hebben om op acceptabele loopafstand een parkeerplaats te vinden.

Van uitwisselbaarheid tussen de 39 plekken op het parkeerterrein naast het appartementencomplex en de 9 plekken in de omgeving is niet gebleken. Aan de voorwaarde in de omgevingsvergunning dat er 39 parkeerplekken moeten worden gerealiseerd ten behoeve van het appartementencomplex, is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, daarom niet voldaan. De rechtbank heeft tot slot op goede gronden overwogen dat de enkele omstandigheid dat [appellante] in de omgeving 9 extra parkeerplaatsen heeft doen aanleggen, geen bijzondere omstandigheid is om van handhavend optreden af te zien.

Dit doet namelijk geen afbreuk aan de conclusie dat in ieder geval op het terrein van het appartementencomplex 39 parkeerplekken zouden worden gerealiseerd en niet 37 parkeerplekken. Het betoog van [appellante] slaagt niet. Beroep van rechtswege tegen het besluit van 22 november 2022 8. Het besluit van 22 november 2022 is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

9. Het college heeft in het besluit van 22 november 2022 het bezwaar van de vereniging gegrond verklaard, het besluit van 17 december 2019 herroepen en aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. De last onder dwangsom houdt in dat [appellante] er zorg voor dient te dragen dat zij binnen twaalf weken na de uitspraak in hoger beroep de overtreding beëindigt en beëindigd houdt. Dit doet zij door de twee verwijderde parkeerplaatsen opnieuw te realiseren, conform de tekening behorend bij de omgevingsvergunning. Verder moet zij 30 parkeerplaatsen alleen beschikbaar stellen voor bewoners en 9 parkeerplaatsen beschikbaar stellen voor bezoekers van de woningen.

Als zij niet of niet op tijd voldoet aan de opgelegde last, dient zij een dwangsom te betalen van € 10.000,00 ineens voor het gebruiken van de grond in strijd met het bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunningen en € 10.000,00 ineens voor het niet opnieuw realiseren van de twee parkeerplaatsen. Het college heeft aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat de aanwezige parkeerplaatsen als gevolg van de uitspraak van de rechtbank alleen gebruikt mogen worden door de bewoners en bezoekers van het appartementencomplex. Verder heeft het college aan het besluit ten grondslag gelegd dat er, gelet op de verleende omgevingsvergunningen, twee parkeerplaatsen te weinig (37 in plaats van 39) gerealiseerd zijn.

Omdat nog geen concreet zicht op legalisatie bestaat en de belangenafweging in het nadeel van Vastgoed Hoorne B.V. is uitgevallen, heeft het college besloten om niet af te zien van de oplegging van een last onder dwangsom. 10. [appellante] betoogt dat de parkeerplaatsen op het parkeerterrein naast het appartementencomplex niet alleen bestemd zijn voor bewoners en bezoekers van het appartementencomplex en dat daarom geen sprake is van een overtreding. 10.1. Deze beroepsgrond slaagt, gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 5.1 en 6.1 heeft overwogen.

Voor de verdere toetsing van het besluit van 22 november 2022 zal dit punt daarom buiten beschouwing worden gelaten.

11. Verder betoogt [appellante] dat het college ten onrechte stelt dat er nu twee parkeerplekken te weinig zijn, omdat er 37 in plaats van 39 parkeerplekken aanwezig zijn. 11.1. Deze beroepsgrond slaagt niet, gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 7.1 heeft overwogen.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het college in beginsel bevoegd handhavend op te treden tegen het met de verleende omgevingsvergunning strijdige gebruik van het parkeerterrein. 12.1. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen.

Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. 13. [appellante] betoogt verder dat er geen enkel redelijk belang voor het college bij handhaving bestaat. Er zijn meer dan voldoende parkeerplekken aanwezig in de omgeving. Verder zijn de twee parkeerplekken niet verwijderd, maar deze worden niet meer benut. 13.1. Het college heeft toegelicht dat het de belangen van de vereniging en [appellante] heeft afgewogen.

Het college heeft zich in dit verband op het standpunt mogen stellen dat het algemeen belang, gelegen in het handhaven van de regels en het voorkomen van precedentwerking, zwaarder weegt dan het financiële belang van [appellante] De enkele stelling van [appellante] dat er in de omgeving voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en dat zij in werkelijkheid direct dan wel indirect heeft gezorgd voor 46 parkeerplaatsen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellante] zelf een aanvraag heeft ingediend die uitging van 39 parkeerplaatsen op eigen terrein.

Verder is van belang dat de last slechts inhoudt dat [appellante] de twee parkeerplaatsen opnieuw moet realiseren. De stelling van [appellante] dat de twee parkeerplekken niet verwijderd zijn, maar slechts niet worden benut, is voor het eerst in deze fase naar voren gebracht en voor het overige ook niet onderbouwd. Bovendien neemt dit niet weg dat deze twee plekken kennelijk niet als parkeerplaats kunnen worden gebruikt. Het betoog van [appellante] slaagt niet. 14. [appellante] betoogt tot slot dat de hoogte van de dwangsom buitensporig is. [appellante] heeft echter niet met stukken onderbouwd dat zij een bedrag van € 10.000,00 niet kan dragen voor het geval de dwangsom wordt verbeurd.

Mede daarom ziet de Afdeling, gelet op de motivering van het college in het besluit van 22 november 2022, geen grond voor het oordeel dat de vastgestelde bedragen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de overtreding en het met de ongedaan making daarvan te dienen belang. Het betoog van [appellante] slaagt niet. Conclusie 15. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover de rechtbank de vernietiging van het besluit van 28 april 2020 niet heeft beperkt tot de omstandigheid dat er twee parkeerplaatsen te weinig zijn gerealiseerd ter hoogte van het parkeerterrein naast het appartementencomplex, zoals nader aangeduid in de omgevingsvergunning van 12 juni 2017.

Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 22 november is gegrond. Dat besluit wordt vernietigd, voor zover het college het handhavend optreden niet heeft beperkt tot de twee parkeerplekken die moeten worden gerealiseerd.

16. Het college moet de proceskosten van [appellante] vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 maart 2022 in zaak nr. 20/3483, voor zover de rechtbank de vernietiging van het besluit van 28 april 2020 niet heeft beperkt tot de omstandigheid dat twee parkeerplaatsen te weinig zijn gerealiseerd op het parkeerterrein naast het appartementencomplex, zoals nader beschreven in de omgevingsvergunning van 12 juni 2017;

III. verklaart het beroep van rechtswege van [appellante] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk 22 november 2022, kenmerk D-087134/Z-19-64045, gegrond; IV. vernietigt het besluit van 22 november 2022, voor zover het handhavend optreden niet is beperkt tot de twee parkeerplaatsen die conform de omgevingsvergunning van 12 juni 2017 moeten worden gerealiseerd; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger betaalde griffierecht ten bedrage van € 548,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Yildiz griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2024 594