Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:641 ECLI:NL:RVS:2023:641 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:641 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:641
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202003984/3/V2. Datum uitspraak: 20 februari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het beroep van: [de vreemdeling], de vreemdeling, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij brief van 12 juli 2021 heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Tilburg, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:641 · Raad van State: Met ingang van 11 juli 2021 is het op grond van artikel 1 in samenhang met artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND in asielzaken weer mogelijk om beroep in te stellen bij de bestuursrechter tegen het uitblijven van een beslissing. 3.1. De staatssecretaris heeft nog geen nieuw besluit genomen op de asielaanvraag van de vreemdeling van 5 juli 2018. Toch is het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk. Het betoog dat de ingebrekestelling van 10 december 2019 van rechtswege is herleefd door het instellen van het beroep tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag, slaagt namelijk niet.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2021:1027
202003984/2/V2. Datum uitspraak: 12 mei 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het beroep van: [de vreemdeling], en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij brief van 14 januari 2021 heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Overwegingen 1. De vreemdeling stelt in zijn beroepschrift dat de staatssecretaris ten onrechte nog niet op zijn asielaanvraag van 5 juli 2018 heeft beslist. Daartoe wijst de vreemdeling op de schriftelijke ingebrekestelling die hij op 10 december 2019 bij de staatssecretaris heeft ingediend.
ECLI:NL:RBDHA:2020:6331
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL20.12417 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2019:673
201808648/1R1.Datum uitspraak: 8 maart 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: [appellant], wonend te Bergen (NH), appellant, en de raad van de gemeente Bergen (NH), verweerder. Procesverloop [appellant] heeft in vervolg op de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, nr. 201709325/1/R1, beroep ingesteld tegen het andermaal niet tijdig nemen van een besluit door de raad omtrent vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern Zuid". De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2022:1810
202102128/1/V1. Datum uitspraak: 6 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 maart 2021 in zaak nr. NL20.18836 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
ECLI:NL:RVS:2022:3352
202203066/1/V1. Datum uitspraak: 30 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 april 2022 in zaak nr. NL21.11403 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna ook: asielaanvraag) te verlenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202003984/3/V2. Datum uitspraak: 20 februari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het beroep van: [de vreemdeling], de vreemdeling, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij brief van 12 juli 2021 heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Tilburg, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De vreemdeling heeft daarop gereageerd en een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. De vreemdeling heeft op 14 januari 2021 beroep ingesteld bij de Afdeling tegen het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag van 5 juli 2018. Bij uitspraak van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1027, heeft de Afdeling overwogen dat zij onbevoegd is om van dat beroep kennis te nemen, omdat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Stb. 2020, 242) regelde dat artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, voor de duur van een jaar niet van toepassing was op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel en de vreemdeling niet onder de uitzondering uit artikel 3 van de Tijdelijke wet afschaffing dwangsommen viel.

Daartoe overwoog de Afdeling dat de vreemdeling de staatssecretaris niet voor inwerkingtreding van de Tijdelijke wet een geldige ingebrekestelling had gestuurd. De ingebrekestelling waar de vreemdeling zich op beriep, had namelijk door een eerdere rechtbankuitspraak, en een naar aanleiding daarvan nieuw genomen besluit, zijn werking verloren.

2. De vreemdeling heeft op 12 juli 2021 opnieuw beroep ingesteld bij de Afdeling gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De vreemdeling betoogt dat de ingebrekestelling die hij op 10 december 2019 heeft ingediend, anders dan de Afdeling in de uitspraak van 12 mei 2021 heeft overwogen, nog steeds geldt en dat de Afdeling hem in de voorbereiding van de uitspraak van 12 mei 2021 ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om daarover een nader standpunt in te nemen. Ook voert de vreemdeling aan dat de Afdeling in haar uitspraak van 12 mei 2021 niet heeft onderkend dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, zoals die luidde tussen 11 juli 2020 en 11 juli 2021, in strijd is met de Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid en het beginsel van effectieve rechtsbescherming.

3. Met ingang van 11 juli 2021 is het op grond van artikel 1 in samenhang met artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND in asielzaken weer mogelijk om beroep in te stellen bij de bestuursrechter tegen het uitblijven van een beslissing. 3.1. De staatssecretaris heeft nog geen nieuw besluit genomen op de asielaanvraag van de vreemdeling van 5 juli 2018. Toch is het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk. Het betoog dat de ingebrekestelling van 10 december 2019 van rechtswege is herleefd door het instellen van het beroep tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag, slaagt namelijk niet.

De staatssecretaris stelt zich in zijn verweerschrift terecht op het standpunt dat die ingebrekestelling haar werking heeft verloren, omdat die ingebrekestelling al eerder leidde tot het uitkeren van de volledige dwangsom van € 1.442,00. Vervolgens heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling bij besluit van 12 juni 2020 opnieuw afgewezen. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, heeft dat besluit in haar uitspraak van 13 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6331, vernietigd, maar geen nieuwe termijn gesteld waarbinnen de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van de vreemdeling.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 mei 2021, was de dwangsommenprocedure die is gestart met de ingebrekestelling van 10 december 2019 beëindigd met de uitspraak van 13 juli 2020. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673, onder 8. Dat betekent dat de vreemdeling op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, in dit geval was gehouden om de staatssecretaris eerst in gebreke te stellen voordat hij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag kon indienen. 3.2.

Het betoog van de vreemdeling dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1810, de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, zoals die luidde tussen 11 juli 2020 en 11 juli 2021, onverbindend heeft verklaard voor zover die wet de mogelijkheid uitsluit om beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag, maakt het voorgaande niet anders. Het ontbreken van een geldige ingebrekestelling is immers doorslaggevend voor de uitkomst van het nu voorliggende beroep. Dat de vreemdeling in de voorbereiding van de uitspraak van 12 mei 2021 niet in de gelegenheid is gesteld om zijn gronden van beroep aan te vullen, leidt ook niet tot een ander oordeel.

De vreemdeling onderbouwt ook in deze procedure immers niet dat de ingebrekestelling die hij op 10 december 2019 heeft ingediend zijn werking niet heeft verloren. 3.3. De vreemdeling verwijst tot slot tevergeefs naar de uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352, waarin de Afdeling de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, zoals die luidt sinds 11 juli 2021, onverbindend heeft verklaard voor zover de mogelijkheid is uitgesloten om een rechterlijke dwangsom op te leggen in asielzaken. De Afdeling komt er in dit geval, gelet op wat is overwogen onder 3.1, niet aan toe om de staatssecretaris een rechterlijke dwangsom op te leggen.

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier. w.g. Sevenster voorzitter w.g. Iedema griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2023 915