Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:490 ECLI:NL:RVS:2023:490 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:490 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:490
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202107730/1/A3. Datum uitspraak: 8 februari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 18 november 2021 in zaak nr. 21/375 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 8 oktober 2020 heeft de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:RVS:2023:490 · Raad van State: Volgens [appellant] ontbreken die stukken ten onrechte in het strafdossier en is sprake van achtergehouden bewijs. De minister heeft dat verzoek afgewezen omdat volgens hem met betrekking tot processtukken in strafdossiers niet het openbaarmakingsregime van de Wob maar het recht op kennisneming van processtukken van artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) van toepassing is, op grond waarvan [appellant] de OvJ kan verzoeken om stukken uit het strafdossier te verkrijgen. De rechtbank is de minister in dat standpunt gevolgd. Beoordeling 2. [appellant] betoogt dat hij om openbaarmaking van stukken heeft verzocht die niet tot het strafdossier behoren.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 8 februari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 18 november 2021 in zaak nr.
artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBZWB:2021:1158
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/082096-18 vonnis van de meervoudige kamer van 12 maart 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1956 te [geboorteplaats] wonende te [adres] 1Onderzoek van de zaak Overeenkomstig artikel 369 van het wetboek van strafvordering heeft de politierechter de zaak op 29 april 2019 naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 juni 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Kint, en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter gelegenheid van deze zitting heeft verdachte tijdens het laatste woord de rechtbank gewraakt, welk wraking is behandeld ter zitting van 23 juni 2020. Op 26 februari 2021 is het onderzoek ter terechtzitting hervat, waarbij de officier van justitie, mr. Vroombout, en verdachte hun standpunten met betrekking tot verzochte getuigen kenbaar hebben gemaakt en verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn laatste woord naar voren te brengen.
ECLI:NL:RVS:2018:3284
201710327/1/A3. Datum uitspraak: 10 oktober 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 november 2017 in zaak nr. 17/2270 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie; thans de minister van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 20 april 2017 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) documenten te verstrekken, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202107730/1/A3. Datum uitspraak: 8 februari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 18 november 2021 in zaak nr. 21/375 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 8 oktober 2020 heeft de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Bij besluit van 27 januari 2021 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 november 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is bij uitspraak van de strafrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 maart 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:1158, veroordeeld voor belaging. De officier van justitie (OvJ) heeft voorafgaand aan die uitspraak op de zitting van de rechtbank van 5 juni 2020 gevorderd dat de strafrechter aan [appellant] een contactverbod oplegt voor vijf jaar. Daarna heeft [appellant] op 18 september 2020 de minister met een beroep op de Wob verzocht om openbaarmaking van de stukken die ten grondslag liggen aan deze vordering van de OvJ.

Volgens [appellant] ontbreken die stukken ten onrechte in het strafdossier en is sprake van achtergehouden bewijs. De minister heeft dat verzoek afgewezen omdat volgens hem met betrekking tot processtukken in strafdossiers niet het openbaarmakingsregime van de Wob maar het recht op kennisneming van processtukken van artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) van toepassing is, op grond waarvan [appellant] de OvJ kan verzoeken om stukken uit het strafdossier te verkrijgen. De rechtbank is de minister in dat standpunt gevolgd. Beoordeling 2. [appellant] betoogt dat hij om openbaarmaking van stukken heeft verzocht die niet tot het strafdossier behoren.

De rechtbank heeft volgens hem op onjuiste gronden geoordeeld dat zijn verzoek niet onder de reikwijdte van de Wob valt. De rechtbank had volgens hem het verzoek niet moeten toetsen aan artikelen uit het WvSv, maar aan de Wob. 2.1. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3284, overwogen dat op het verkrijgen van stukken uit een strafdossier het WvSv en niet de Wob van toepassing is. Zoals de Afdeling in die uitspraak heeft overwogen, maakt het debat over de noodzaak om voor een correcte beoordeling van een strafrechtelijke sanctie over bepaalde stukken te beschikken deel uit van de procedure ter beoordeling van de strafrechtelijke sanctie bij de bevoegde rechter.

In die procedure kan zo nodig aan de orde worden gesteld of de stukken voor de beoordeling van de sanctie compleet zijn en of het openbaar ministerie gehouden is bepaalde stukken te verstrekken, aldus de Afdeling in die uitspraak. Voor zover [appellant] meent dat stukken ter onderbouwing van de vordering tot oplegging van het contactverbod in het strafdossier ontbreken, had hij dit dus in de strafprocedure aan de orde kunnen stellen. In die procedure had de juistheid van dit standpunt kunnen worden beoordeeld en had kunnen worden beslist dat bepaalde stukken aan [appellant] moesten worden verstrekt.

Overigens heeft de minister in zijn schriftelijke uiteenzetting naar voren gebracht dat, naar uit het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant kan worden afgeleid, de oplegging van het contactverbod niet is gebaseerd op bepaalde stukken, maar is ingegeven door de proceshouding van [appellant] ter terechtzitting. De Afdeling heeft geen reden aan de juistheid hiervan te twijfelen. Slotsom 3. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister het Wob-verzoek van [appellant] terecht heeft afgewezen op de grond dat het verzoek niet onder de reikwijdte van de Wob valt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier. w.g. Daalder lid van de enkelvoudige kamer w.g. Klein griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2023 176-983