Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:4797 ECLI:NL:RVS:2023:4797 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:4797 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:4797
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202106256/1/R2. Datum uitspraak: 19 december 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Heukelom, gemeente Oisterwijk, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West­-Brabant van 16 augustus 2021 in zaak nr. 19/5424 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk. Openbare zitting gehouden op 19 december 2023 om 12:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. E.A.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2023:4797 · Raad van State: Bij uitspraak van 16 augustus 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak. De redenen hiervoor zijn als volgt: 1. [appellant] is eigenaar van het perceel aan de [locatie] te Heukelom. Op het perceel staat een gebouw, dat wordt omschreven als een tuinsieraad en in deze procedure bekend is als bouwwerk D. Het college heeft bij besluit van 26 februari 2019, gehandhaafd bij besluit van 17 december 2019, aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd.

Keywords

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2016:2616
201506699/1/A1. Datum uitspraak: 5 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 juli 2015 in zaak nr. 14/1274 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder. Procesverloop Bij besluit van 19 maart 2013 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de antennemast op het perceel [locatie] te Kraggenburg (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.
ECLI:NL:RVS:2016:228
201501008/1/A4. Datum uitspraak: 3 februari 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 december 2014 in zaak nr. 14/2303 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Reusel-de Mierden. Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2012 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen de hoefsmederij van [partij] aan de [locatie] te Reusel (hierna: het perceel), afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2021:1890
202001714/2/R4. Datum uitspraak: 25 augustus 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: Stichting Landgoed Windesheim (hierna: Windesheim), gevestigd te Zwolle, appellante, en het college van burgemeester en wethouders van Heerde (hierna: het college), verweerder. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 17 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:324 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 28 januari 2020, waarin het college heeft geweigerd om handhavend op te treden tegen het gebruik van de gronden van de camping met dubbelbestemming "Waterstaatdoeleinden", te herstellen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202106256/1/R2. Datum uitspraak: 19 december 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Heukelom, gemeente Oisterwijk, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West­-Brabant van 16 augustus 2021 in zaak nr. 19/5424 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk. Openbare zitting gehouden op 19 december 2023 om 12:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. E.A.

Minderhoud, voorzitter griffier: mr. M.A. Graaff-Haasnoot jurist: mr. M. van der Heiden Verschenen: [appellant], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B]; Het college, vertegenwoordigd door mr. S. Bijsterveld; Bij besluit van 26 februari 2019 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd voor het bouwen van een bouwwerk zonder vereiste omgevingsvergunning aan de [locatie] te Heukelom. Bij besluit van 17 september 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak. De redenen hiervoor zijn als volgt: 1. [appellant] is eigenaar van het perceel aan de [locatie] te Heukelom. Op het perceel staat een gebouw, dat wordt omschreven als een tuinsieraad en in deze procedure bekend is als bouwwerk D. Het college heeft bij besluit van 26 februari 2019, gehandhaafd bij besluit van 17 december 2019, aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd.

2. In geschil is nog enkel de last onder bestuursdwang, voor zover het gaat om de schoorsteen van 9 meter. De Afdeling stelt vast dat de door [appellant] gevraagde omgevingsvergunning voor deze schoorsteen is geweigerd. Tegen de beslissing op bezwaar, waarbij de weigering in stand is gelaten, is door [appellant] beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 28 augustus 2023 ongegrond verklaard. [appellant] is hiertegen in hoger beroep gekomen bij de Afdeling, welk hoger beroep onder zaak nr. 202306367/1/R2 is geregistreerd.

3. Desgevraagd heeft het college op de zitting bevestigd dat de begunstigingstermijn van de last onder bestuursdwang is verlengd tot en met de dag na de datum waarop de Afdeling uitspraak zal doen in zaak nr. 202306367/1/R2, zoals ook volgt uit het besluit van het college van 28 oktober 2021. 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat destijds geen concreet zicht op legalisatie bestond, waarbij hij verwijst naar het beleid van de raad van de gemeente Oisterwijk in de Visie Bebouwingsconcentraties. Die visie vormt volgens [appellant] een grondslag voor vergunningverlening en dus voor legalisatie.

5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2616), volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een vergunning te verlenen en niet op voorhand vaststaat dat dit standpunt rechtens onhoudbaar is. Om concreet zicht op legalisatie aan te nemen is het verder bij de toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure ten minste vereist dat een ontwerp omgevingsvergunning ter inzage is gelegd (zie de uitspraken van de Afdeling van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:228, onder 4.1, en 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1890, onder 4.2).

6. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het besluit op bezwaar van 17 september 2019 geen concreet zicht op legalisatie bestond. Ten tijde van dit besluit had [appellant] weliswaar een omgevingsvergunning ter legalisering van het bouwwerk aangevraagd, namelijk op 23 april 2019, maar er was op dat moment geen ontwerp omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er destijds geen concreet zicht op legalisatie bestond. Het beroep op de Visie Bebouwingsconcentratie maakt dit oordeel niet anders.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Graaff-Haasnoot griffier 531-1074