Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:4724 ECLI:NL:RVS:2023:4724 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:4724 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:4724
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202102351/1/A3. Datum uitspraak: 27 december 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Truck Care Amsterdam C.V. (hierna: TCA), gevestigd te Amsterdam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2021 in zaak nr. 19/3737 in het geding tussen: TCA en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 6 november 2018 heeft het college een verzoek van TCA op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen. Bij besluit van 28 mei 2019 heeft het college het door TCA daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2023:4724 · Raad van State: Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Bij een verzoek op grond van deze bepaling hoeft de indiener van het Wob-verzoek geen belang te stellen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2817), laat artikel 3, derde lid, van de Wob onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie.

Keywords

AI generated
artikel 6 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 van het EVRM
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2206, is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:4129
201311752/1/A3. Datum uitspraak: 19 november 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 in zaak nr. 13/4146 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2013 heeft de minister een door [appellante] ingediend verzoek om openbaarmaking van stukken betreffende een aan haar opgelegde verkeersboete, geweigerd te behandelen. [appellante] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
ECLI:NL:RVS:2019:2817
201807838/1/A3. Datum uitspraak: 21 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 augustus 2018 in zaak nr. 18/2582 in het geding tussen: [appellant] en het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: ISD Bollenstreek). Procesverloop Op 22 februari 2018 heeft [appellant] een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) met kenmerk MSS/1802/WOBB3 gedaan waarin hij vraagt om de schriftelijke opdracht van de ISD Bollenstreek aan IMK Intermediair te Baarn met kenmerk 50318/339104.
ECLI:NL:RVS:2018:4185
201709531/1/A3. Datum uitspraak: 19 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Amsterdam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 oktober 2017 in zaak nr. 17/2116 in het geding tussen: [appellante] en Heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem (hierna: de heffingsambtenaar). Procesverloop Bij besluit van 12 september 2016 heeft de heffingsambtenaar een aantal documenten geheel of gedeeltelijk verstrekt en het verzoek om informatie voor het overige afgewezen. Bij besluit van 7 maart 2017 heeft de heffingsambtenaar het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2019:4310
201805527/1/A3. Datum uitspraak: 18 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Truck Care Amsterdam C.V. (hierna: TCA), gevestigd te Amsterdam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2018 in zaak nr. 17/6979 in het geding tussen: TCA en de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (lees: de minister van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Justitie en Veiligheid). Procesverloop Op 11 augustus 2017 heeft de minister aan TCA op haar verzoek een zaakoverzicht verstrekt. Bij besluit van 19 oktober 2017 heeft de minister het door TCA daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2022:3817
202108036/1/A3. Datum uitspraak: 14 december 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Amsterdam, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 oktober 2021 in zaak nr. 20/3272 in het geding tussen: [appellant] en De inspecteur van Cocensus. Openbare zitting gehouden op 14 december 2022 om 10:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer. griffier: mr. Y. Soffner Verschenen: [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde].
ECLI:NL:RVS:2023:4722
202003212/1/A3. Datum uitspraak: 27 december 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Truck Care Amsterdam C.V. (hierna: TCA), gevestigd te Amsterdam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2020 in zaak nrs. 19/5041 en 19/5042 in de gedingen tussen: TCA en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 27 december 2018 heeft het college aan de onbekende eigenaar van een oplegger een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege onrechtmatige stalling daarvan op de Anderlechtlaan te Amsterdam.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202102351/1/A3. Datum uitspraak: 27 december 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Truck Care Amsterdam C.V. (hierna: TCA), gevestigd te Amsterdam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2021 in zaak nr. 19/3737 in het geding tussen: TCA en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 6 november 2018 heeft het college een verzoek van TCA op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen. Bij besluit van 28 mei 2019 heeft het college het door TCA daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 februari 2021 heeft de rechtbank het door TCA daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft TCA hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. TCA heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2023, waar TCA, vertegenwoordigd door G. Veldhuisen, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, is verschenen. Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De zaak is door een enkelvoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een meervoudige.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft gesloten. Overwegingen Inleiding 1. TCA heeft op 14 september 2018 naar aanleiding van een aan haar opgelegde verkeersboete van 2 april 2015 wegens het parkeren op een invalideparkeerplaats het college verzocht om openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op de verkeersboete.

Het gaat daarbij om processen-verbaal en verkeersbesluiten.

2. De rechtbank heeft zoals gezegd het beroep van TCA ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,- aan TCA wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. De rechtbank heeft de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van proceskosten die TCA heeft moeten maken en vergoeding van door TCA betaalde griffierechten. Hoger beroep 3. In hoger beroep betoogt TCA dat de rechtbank had moeten bepalen dat de Staat der Nederlanden een hoger bedrag aan proceskosten en griffierechten had moeten betalen.

Oordeel van de Afdeling 4. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. 4.1. Op grond van artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet inroepen voor zover hij deze misbruikt. Op grond van het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Op grond van artikel 15 van hetzelfde boek vindt artikel 13 toepassing buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, brengen deze artikelen met zich dat de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen, niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich daarom tegen inhoudelijke behandeling van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel dat misbruik van een bevoegdheid omvat en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van dat rechtsmiddel. 4.2.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Bij een verzoek op grond van deze bepaling hoeft de indiener van het Wob-verzoek geen belang te stellen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2817), laat artikel 3, derde lid, van de Wob onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie.

Omdat misbruik van recht zich kan voordoen als een in de Wob gegeven bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van de Wob heeft plaatsgevonden. 4.3. De Afdeling is van oordeel dat TCA in dit geval misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen. De Afdeling legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt. 4.4. TCA heeft ter zitting gesteld dat het belang bij kennisneming van de gevraagde informatie alleen is gelegen in het aanvechten van een verkeersboete en niet in het voor een ieder openbaar worden van de betreffende informatie.

Bovendien zouden de processen-verbaal de indruk wekken dat er meer documenten moeten zijn. Zij wenste exact te weten waar het voertuig wel en niet geparkeerd mag staan. Als er een ander verkeersbesluit zou zijn, zou een van de processen-verbaal volgens TCA valselijk zijn opgemaakt. Deze informatie kan zij, aldus TCA, in een Wob-procedure sneller en makkelijker verkrijgen dan in de procedure waarin de verkeersboete kan worden aangevochten. Zij heeft overigens ook een procedure tegen de verkeersboete gevoerd. De verkeersboete is op 2 april 2015 aan TCA opgelegd.

Pas op 14 september 2018 heeft TCA met een beroep op de Wob verzocht om openbaarmaking van de onderliggende documenten. Dat is bijna 3,5 jaar nadat de verkeersboete was opgelegd. Alleen al hierom acht de Afdeling het niet geloofwaardig dat TCA het Wob-verzoek heeft ingediend om de aan de verkeersboete ten grondslag liggende documenten openbaar te maken. Daar komt bij dat tegen een verkeersboete administratief beroep openstaat bij de officier van justitie. Artikel 7:18, vierde lid, van de Awb geeft belanghebbenden het recht om in een administratieve beroepsprocedure afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken te verkrijgen.

Na administratief beroep zijn beroep bij de kantonrechter en hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden mogelijk. Op grond van artikel 11, vijfde (voorheen: vierde) lid, en artikel 19, vierde lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) kan de beboete persoon in het kader van die procedures afschriften van stukken verkrijgen. Een verzoek op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of artikel 11, vijfde lid, of artikel 19, vierde lid, van de Wahv is de aangewezen weg om ten behoeve van het aanvechten van een verkeersboete informatie over de boete te verkrijgen.

Binnen het kader van een tegen de verkeersboete ingestelde procedure kan dus informatie over de boete worden verkregen en daarvoor hoeft geen afzonderlijk verzoek op grond van de Wob te worden gedaan. Bovendien staan de noodzaak, volledigheid en tijdigheid van de informatieverstrekking in de procedure over de verkeersboete ter beoordeling van daarvoor bevoegde rechterlijke instanties. De bevoegdheid van artikel 3 van de Wob tot het indienen van een verzoek om informatie over stukken die betrekking hebben op een opgelegde verkeersboete is, gelet op het voorgaande, niet bedoeld om binnen het kader van een tegen de boete ingestelde procedure informatie betreffende de boete te verkrijgen.

Een dergelijk verzoek strekt niet ter bevordering van een goede en democratische bestuursvoering. 4.5. Uit het vorenstaande blijkt dus dat TCA de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen evident voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Dit is voldoende reden om het hoger beroep van TCA niet-ontvankelijk te verklaren vanwege misbruik van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen. Hier komt bij dat de handelwijze van TCA en haar gemachtigde in deze zaak niet op zichzelf staat, maar een patroon laat zien. De Afdeling heeft hoger beroepen van TCA en haar gemachtigden vaker niet-ontvankelijk verklaard vanwege misbruik van recht.

Zij voeren veelvuldig procedures tegen besluiten tot het opleggen van een verkeersboete. De Afdeling wijst daarbij op de uitspraken van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4185, 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4310, en 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3817. Ook in twee andere zaken waarin de Afdeling vandaag uitspraak doet (ECLI:NL:RVS:2023:4722 en ECLI:NL:RVS:2023:4723) worden hoger beroepen van TCA niet-ontvankelijk verklaard vanwege misbruik van het recht om hoger beroep in te stellen dan wel om een Wob verzoek in te dienen. 4.6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft TCA misbruik gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen.

Dit betekent dat zij ook misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van het procesrechtelijke rechtsmiddel om hoger beroep in te stellen, omdat dat rechtsmiddel niet los kan worden gezien van het gebruik van de Wob. Het hoger beroep is dus niet‑ontvankelijk. Verzoek om schadevergoeding 5. TCA heeft ook verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2206, is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is.

In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet.

Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan, respectievelijk de rechter, als uitgangspunt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan een half jaar heeft geduurd, de fase bij de rechtbank onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan anderhalf jaar heeft geduurd en de fase in hoger beroep onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan twee jaar heeft geduurd. 5.2. De rechtbank heeft in haar uitspraak vastgesteld dat de redelijke termijn vanaf de bezwaarfase tot aan de uitspraak in eerste aanleg is overschreden.

Het hoger beroep van TCA dateert van 7 april 2021. Omdat de Afdeling vandaag, ruim twee jaar nadat TCA hoger beroep heeft ingesteld, uitspraak doet, heeft de hogerberoepsprocedure onredelijk lang geduurd en is de redelijke termijn overschreden. 5.3. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00) volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.

Slechts wanneer het bestuursorgaan concrete omstandigheden aandraagt die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie, of wanneer de rechter zelf dergelijke omstandigheden onderkent, zal de rechter op dit punt onderzoek moeten verrichten. 5.4. De Afdeling is van oordeel dat in gevallen waarin het (hoger) beroep van betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege misbruik van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en vervolgens procesrechtelijke rechtsmiddelen aan te wenden, in beginsel geen spanning en frustratie bestaat die recht geeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In dit geval is er geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. De Afdeling zal daarom het verzoek van TCA om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM afwijzen. Conclusie 6. Het hoger beroep van TCA is niet-ontvankelijk. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier. w.g. Den Ouden voorzitter w.g. Soffner griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2023 818-1071