Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:4348 ECLI:NL:RVS:2023:4348 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:4348 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:4348
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202305829/1/V3 en 202305829/2/V3. Datum uitspraak: 23 november 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 augustus 2023 in zaak nr. NL23.22068 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 92 van de Vw 2000; ECLI:NL:RVS:2023:4348 · Raad van State: De Afdeling volgt de vreemdeling hierin niet. Dat het voornemen minder lang was dan het besluit, betekent nog niet dat de besluitvorming onzorgvuldig is. In het voornemen heeft de staatssecretaris voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond van welke redenen, Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling. Daarin staat ook dat de staatssecretaris geen reden ziet om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van de staatssecretaris dragende overwegingen opgenomen.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 92 van de Vw 2000

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 92 van de Vw 2000

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:3411
202303599/1/V3. Datum uitspraak: 13 september 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023 in zaak nr. NL23.6781 in het geding tussen: [de vreemdeling], en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 6 maart 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6989 VERWIJZINGSUITSPRAAK uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1992 in Saudi-Arabië, van Syrische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van prejudiciële vragen in een versnelde procedure (PPA) I Dient de Dublinverordening, gelet op punten 3, 32 en 39 van de considerans en gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is, zodat ernstige en stelselmatige schendingen van het Unierecht die door de mogelijk verantwoordelijke lidstaat worden begaan vóór overdracht ten aanzien van derdelanders die (nog) geen Dublinterugkeerder zijn absoluut in de weg staan aan overdracht aan deze lidstaat? II Dient artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat indien de mogelijk verantwoordelijke lidstaat op ernstige en stelselmatige wijze het Unierecht schendt, de overdragende lidstaat in het kader van de Dublinverordening niet voetstoots van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, maar elke twijfel moet wegnemen dan wel aannemelijk moet maken dat de verzoeker na overdracht niet in een situatie zal geraken die in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? III Met welke bewijsmiddelen kan de verzoeker zijn argumenten dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, aan zijn overdracht in de weg staat staven en welke bewijsmaatstaf dient hierbij te worden gehanteerd? Heeft de overdragende lidstaat, gelet op de verwijzingen naar het Unieacquis in de considerans van de Dublinverordening, een samenwerkingsplicht en/of vergewisplicht, dan wel dienen er, indien sprake is van ernstige en stelselmatige schendingen van grondrechten ten aanzien van derdelanders, individuele garanties te worden verkregen van de verantwoordelijke lidstaat dat na overdracht de grondrechten van de verzoeker (wel) worden geëerbiedigd? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de verzoeker in bewijsnood verkeert indien hij zijn consistente en gedetailleerde verklaringen niet met documenten kan staven, terwijl dit gelet op de aard van de verklaringen niet kan worden verwacht? IV Luidt de beantwoording van de voorgaande vragen onder III anders indien de verzoeker aannemelijk maakt dat klagen bij de autoriteiten en/of het aanwenden van rechtsmiddelen in de verantwoordelijke lidstaat niet mogelijk en/of niet effectief zal zijn? Verzoek aan het Hof van Justitie tot het behandelen en beantwoorden van de prejudiciële vragen in een versnelde procedure op grond van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie ( PPA ) .

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202305829/1/V3 en 202305829/2/V3. Datum uitspraak: 23 november 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 augustus 2023 in zaak nr. NL23.22068 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris.

Procesverloop Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij mondelinge uitspraak van 17 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag of de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan heeft de Afdeling bij uitspraak van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief slaagt. Conclusie hoger beroep en bespreking beroepsgronden 2.

Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. 2.1. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Het voornemen bestond maar uit vier bladzijden en het besluit uit dertien bladzijden. Ook heeft hij aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte niet in het voornemen, maar pas in het besluit is ingegaan op zijn individuele ervaringen in Kroatië, de Kamerbrief van 20 januari 2023 en de daarbij behorende beslisnota van 21 december 2022 over Dublinoverdrachten aan Kroatië (Kamerstukken II 2022/2023, 19 637, nr. 3061).

De Afdeling volgt de vreemdeling hierin niet. Dat het voornemen minder lang was dan het besluit, betekent nog niet dat de besluitvorming onzorgvuldig is. In het voornemen heeft de staatssecretaris voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond van welke redenen, Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling. Daarin staat ook dat de staatssecretaris geen reden ziet om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van de staatssecretaris dragende overwegingen opgenomen.

De staatssecretaris heeft het besluit wel uitgebreider gemotiveerd dan het voornemen. Dit ook als reactie op de zienswijze. Geen grond bestaat voor het oordeel dat dit onzorgvuldig is of dat de staatssecretaris gehouden was om een nieuw voornemen uit te brengen. Er hebben zich na het toezenden van het voornemen namelijk geen feiten of omstandigheden in de zin van artikel 3.119, aanhef en onder a, van het Vb 2000 voorgedaan. Dat de staatssecretaris in het besluit voor het eerst meer specifiek ingaat op de individuele ervaringen van de vreemdeling, de Kamerbrief van 20 januari 2023 en de daarbij behorende beslisnota van 21 december 2022 maakt dit niet anders.

Dat is namelijk geen nieuwe beoordeling van reeds bekende feiten in de zin van artikel 3.119, aanhef en onder b, van het Vb 2000. De beroepsgrond slaagt daarom niet. 2.2. De vreemdeling heeft verder betoogd dat de staatssecretaris zijn informatieplicht heeft geschonden (artikel 4, eerste lid, van de Dublinverordening). Daarvoor voert hij aan dat de staatssecretaris de brochures over de Dublinprocedure wel aan hem heeft uitgereikt, maar dat hij daar geen kennis van heeft kunnen nemen omdat hij niet goed kan lezen. De Afdeling stelt vast dat de vreemdeling tijdens het Dublingehoor op de vraag of hij de brochures heeft gelezen en hij deze begrijpt, heeft verklaard dat hij geen vragen had over de verstrekte brochures.

De staatssecretaris heeft dus aan zijn informatieverplichting voldaan. De beroepsgrond slaagt daarom niet. 2.3. De vreemdeling betoogt ook nog dat de staatssecretaris ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van artikel 17 van de Dublinverordening. Hij heeft in zijn beroepschrift echter niet aangevoerd welke bijzondere individuele omstandigheden maken dat zijn overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De staatssecretaris heeft daarom redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien om het asielverzoek krachtens artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken.

De beroepsgrond slaagt dus niet. 2.4. De vreemdeling heeft tot slot betoogd dat deze zaak moet worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel die door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, aan het Hof van Justitie zijn voorgelegd in de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724. Gelet op wat de Afdeling onder 3.1 van de uitspraak van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, heeft overwogen, bestaat er geen aanleiding om deze zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van die vragen.

Wat de vreemdeling hierover heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

3. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 17 augustus 2023 in zaak nr. NL23.22068; III. verklaart het beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier. w.g. Van Gastel voorzieningenrechter w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2023 347-1017