Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:3796 ECLI:NL:RVS:2023:3796 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:3796 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:3796
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202302537/1/V3 en 202302537/2/V3. Datum uitspraak: 13 oktober 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 17 april 2023 in zaak nr. NL23.1039 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 92 van de Vw 2000, artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2023:3796 · Raad van State: De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris voor Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daartoe voert hij aan dat hij in Bulgarije is mishandeld door de autoriteiten, dat hij is gedetineerd en dat hij is teruggestuurd naar Turkije. De vreemdeling heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft geprobeerd om hierover bij de Bulgaarse autoriteiten of de Bulgaarse (hoogste) rechter te klagen of dat klagen bij voorbaat zinloos was. De vreemdeling heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico bestaat dat hij na overdracht aan Bulgarije aan een schending van artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM wordt blootgesteld. De beroepsgrond faalt.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 92 van de Vw 2000 artikel 3 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 92 van de Vw 2000
artikel 3 van het EVRM
De vreemdeling heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico bestaat dat hij na overdracht aan Bulgarije aan een schending van artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM wordt blootgesteld.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:3133
202206794/1/V3. Datum uitspraak: 16 augustus 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 november 2022 in zaak nr. NL22.21232 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 oktober 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 24 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2023:3134
202206798/1/V3. Datum uitspraak: 16 augustus 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 22 november 2022 in zaak nr. NL22.18219 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 13 september 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6989 VERWIJZINGSUITSPRAAK uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1992 in Saudi-Arabië, van Syrische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van prejudiciële vragen in een versnelde procedure (PPA) I Dient de Dublinverordening, gelet op punten 3, 32 en 39 van de considerans en gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is, zodat ernstige en stelselmatige schendingen van het Unierecht die door de mogelijk verantwoordelijke lidstaat worden begaan vóór overdracht ten aanzien van derdelanders die (nog) geen Dublinterugkeerder zijn absoluut in de weg staan aan overdracht aan deze lidstaat? II Dient artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat indien de mogelijk verantwoordelijke lidstaat op ernstige en stelselmatige wijze het Unierecht schendt, de overdragende lidstaat in het kader van de Dublinverordening niet voetstoots van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, maar elke twijfel moet wegnemen dan wel aannemelijk moet maken dat de verzoeker na overdracht niet in een situatie zal geraken die in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? III Met welke bewijsmiddelen kan de verzoeker zijn argumenten dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, aan zijn overdracht in de weg staat staven en welke bewijsmaatstaf dient hierbij te worden gehanteerd? Heeft de overdragende lidstaat, gelet op de verwijzingen naar het Unieacquis in de considerans van de Dublinverordening, een samenwerkingsplicht en/of vergewisplicht, dan wel dienen er, indien sprake is van ernstige en stelselmatige schendingen van grondrechten ten aanzien van derdelanders, individuele garanties te worden verkregen van de verantwoordelijke lidstaat dat na overdracht de grondrechten van de verzoeker (wel) worden geëerbiedigd? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de verzoeker in bewijsnood verkeert indien hij zijn consistente en gedetailleerde verklaringen niet met documenten kan staven, terwijl dit gelet op de aard van de verklaringen niet kan worden verwacht? IV Luidt de beantwoording van de voorgaande vragen onder III anders indien de verzoeker aannemelijk maakt dat klagen bij de autoriteiten en/of het aanwenden van rechtsmiddelen in de verantwoordelijke lidstaat niet mogelijk en/of niet effectief zal zijn? Verzoek aan het Hof van Justitie tot het behandelen en beantwoorden van de prejudiciële vragen in een versnelde procedure op grond van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie ( PPA ) .

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202302537/1/V3 en 202302537/2/V3. Datum uitspraak: 13 oktober 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 17 april 2023 in zaak nr. NL23.1039 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris.

Procesverloop Bij besluit van 12 januari 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 17 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers, advocaat te Ulft, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De door de staatssecretaris in zijn enige grief opgeworpen rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraken van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134, onder 4.4 tot en met 4.13. Uit die uitspraken volgt dat de grief slaagt.

2. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De voorzieningenrechter beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

3. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris voor Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daartoe voert hij aan dat hij in Bulgarije is mishandeld door de autoriteiten, dat hij is gedetineerd en dat hij is teruggestuurd naar Turkije. De vreemdeling heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft geprobeerd om hierover bij de Bulgaarse autoriteiten of de Bulgaarse (hoogste) rechter te klagen of dat klagen bij voorbaat zinloos was. De vreemdeling heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico bestaat dat hij na overdracht aan Bulgarije aan een schending van artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM wordt blootgesteld. De beroepsgrond faalt.

4. De vreemdeling heeft ook betoogd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is en dat zijn zaak moet worden aangehouden in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vragen die de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, daarover in de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724, aan het Hof van Justitie heeft voorgelegd. Dit betoog gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord in de hiervoor onder 1. genoemde uitspraken van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134, onder 6 tot en met 6.3. Daaruit volgt dat de beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft ten slotte betoogd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij in Bulgarije dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als in Nederland. Hij verwijst ter onderbouwing van zijn betoog naar pagina 81 van het rapport van Asylum Information Database (hierna: AIDA), update 2022, van maart 2023 over Bulgarije. De vreemdeling heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting op het hogerberoepschrift in dat kader tevens zijn patiëntendossier overgelegd. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken kan echter niet blijken dat met betrekking tot de door de vreemdeling genoemde psychische klachten een medische diagnose is gesteld en/of dat ter zake een specialistisch zorg- en behandeltraject noodzakelijk is.

Dat de vreemdeling behoefte zou hebben aan meer dan medische basiszorg is derhalve door hem onvoldoende aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft hij nader onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat deze medische basiszorg in Bulgarije van onvoldoende niveau zou zijn. Daarbij komt dat uit voornoemd AIDA-rapport weliswaar volgt dat er in Bulgarije (ook) voor Dublinclaimanten obstakels in de vorm van wachttijden bestaan voor de toegang tot bepaalde vormen van gezondheidszorg, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat Dublinclaimanten structureel geen toegang tot medische basiszorg krijgen.

Uit het genoemde AIDA-rapport kan zelfs worden afgeleid dat medische basiszorg voor Dublinclaimanten, ook in de opvangcentra, beschikbaar is. De vreemdeling heeft met de door hem overgelegde c.q. aangehaalde stukken daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij in Bulgarije geen toegang zal krijgen tot de voor hem benodigde zorg. De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Omdat op het hoger beroep is beslist, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 17 april 2023 in zaak nr. NL23.1039; III. verklaart het beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier. w.g. Kuijer voorzieningenrechter w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2023 347-985