Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:340 ECLI:NL:RVS:2023:340 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:340 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:340
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202200083/1/V3. Datum uitspraak: 26 januari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2] (hierna: de vreemdelingen) en [referent], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 6 december 2021 in zaak nr. 21/3763 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van referent om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RVS:2023:340 · Raad van State: 202200083/1/V3. Datum uitspraak: 26 januari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2] (hierna: de vreemdelingen) en [referent], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 6 december 2021 in zaak nr. 21/3763 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van referent om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Keywords

AI generated
artikel 8 van het EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 van het EVRM
De vreemdelingen klagen in grief 5 tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de toetsing van de uitkomst van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM door de rechtbank enigszins terughoudend moet zijn.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2013:BZ8680
201112633/1/V3 Datum uitspraak: 29 maart 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie en Asiel, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 8 november 2011 in zaak nr. 10/42425 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister voor Immigratie en Asiel. Procesverloop Bij besluit van 1 april 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen dan wel om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en de vreemdeling ongewenst verklaard.
ECLI:NL:RVS:2022:2006
202104387/1/V1. Datum uitspraak: 13 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2021 in zaak nr. 20/8697 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om voor de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202200083/1/V3. Datum uitspraak: 26 januari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2] (hierna: de vreemdelingen) en [referent], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 6 december 2021 in zaak nr. 21/3763 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van referent om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 1 juni 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door referent en de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 december 2021 heeft de rechtbank het daartegen door referent en de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben referent en de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Krikke, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De vreemdelingen klagen in grief 5 tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de toetsing van de uitkomst van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM door de rechtbank enigszins terughoudend moet zijn.

De Afdeling verwijst bijvoorbeeld naar haar uitspraak van 29 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8680, onder 5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.4, overwogen dat de rechtbank het onderzoek van de staatssecretaris naar de relevante feiten en omstandigheden en de door hem gegeven motivering van de belangenafweging indringend moet toetsen. Deze passage is opgenomen om te benadrukken dat de rechter zonder terughoudendheid moet toetsen of de staatssecretaris alle feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken.

Met de uitspraak van 13 juli 2022 is de toetsingsintensiteit van de uitkomst van de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging niet gewijzigd. Dit betekent dat de rechtbank de uitkomst van de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging terecht enigszins terughoudend heeft getoetst. 1.1. De grief faalt.

2. Wat de vreemdelingen in grieven 1 tot en met 4 en 6 hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. Steendijk voorzitter w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2023 846-985