Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:325 ECLI:NL:RVS:2023:325 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:325 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:325
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202105738/1/V2. Datum uitspraak: 26 januari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 augustus 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:325 · Raad van State: Bij brief van 25 augustus 2022 heeft de staatssecretaris het hoger beroep ingetrokken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1665), kan de intrekking van het hoger beroep er niet toe leiden dat het van rechtswege ontstane beroep tegen een besluit teniet wordt gedaan. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is het van rechtswege ontstane beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit nog aanhangig bij de Afdeling. Uit het oogpunt van efficiëntie en finaliteit zal de Afdeling dit beroep zelf behandelen en niet terugsturen naar de rechtbank.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2021:1665
202000311/1/A2. Datum uitspraak: 28 juli 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2019 in zaak nr. 19/996 in het geding tussen: [appellant] en de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW). Procesverloop Bij besluit van 7 oktober 2016 heeft de RDW de schorsing van het kenteken […] met ingang van 27 april 2016 beëindigd. Bij besluit van 8 mei 2017 heeft de RDW het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2021:2348
202105166/1/A3. Datum uitspraak: 20 oktober 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 28 juni 2021 in zaken nrs. 20/3956, 20/3957 en 20/3958 in het geding tussen: de Nederlandse Omroep Stichting (hierna: NOS) en de Stichting NTR, beide gevestigd te Hilversum, en de minister. Procesverloop De NOS en de NTR hebben bij de minister op 28 en 29 mei 2020 in totaal drie verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna:
ECLI:NL:RVS:2020:1560
202000935/1/V1.Datum uitspraak: 8 juli 2020 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2020 in zaak nr. NL19.29203 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen beroep ingesteld bij de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2022:3353
202203068/1/V1. Datum uitspraak: 30 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 22 april 2022 in zaak nr. NL22.2074 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna ook: asielaanvraag) te verlenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202105738/1/V2. Datum uitspraak: 26 januari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 18 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 augustus 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.C. Pool, advocaat te Arnhem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op de aanvraag heeft de vreemdeling bij de rechtbank beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft bij de rechtbank een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroepschrift en verweerschrift ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden. De staatssecretaris heeft zijn hoger beroep ingetrokken. Overwegingen 1.

De vreemdeling heeft op 12 april 2022, toen de hogerberoepsprocedure nog liep, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op zijn aanvraag. De rechtbank heeft dat beroep ter verdere behandeling aan de Afdeling doorgezonden. Het niet tijdig nemen van een nieuw besluit na vernietiging van het oorspronkelijke besluit wordt gelijk gesteld met een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Gelet op artikel 6:24 van die wet, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, heeft het hoger beroep van rechtswege betrekking op dat besluit.

2. Bij brief van 25 augustus 2022 heeft de staatssecretaris het hoger beroep ingetrokken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1665), kan de intrekking van het hoger beroep er niet toe leiden dat het van rechtswege ontstane beroep tegen een besluit teniet wordt gedaan. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is het van rechtswege ontstane beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit nog aanhangig bij de Afdeling. Uit het oogpunt van efficiëntie en finaliteit zal de Afdeling dit beroep zelf behandelen en niet terugsturen naar de rechtbank.

3. De rechtbank heeft de staatssecretaris bij uitspraak van 13 augustus 2021 opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Daarvoor gold de wettelijke beslistermijn van zes maanden. Die termijn liep tot 14 februari 2022. De vreemdeling heeft de staatssecretaris op 25 maart 2022 in gebreke gesteld en vervolgens op 12 april 2022 beroep ingesteld. De staatssecretaris erkent in zijn verweerschrift dat hij twee weken na de ingebrekestelling nog geen nieuw besluit heeft genomen. Het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond. 3.1.

Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb geeft de bestuursrechter de mogelijkheid om een termijn te stellen voor het nemen van een nieuw besluit. De rechter stelt daarbij een nadere termijn die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2348, onder 12.6). De Afdeling bepaalt daarom dat de staatssecretaris in dit geval binnen acht weken een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen. Bij het bepalen van deze termijn heeft de Afdeling rekening gehouden met het feit dat dit een asielzaak is die nauwgezette zorgvuldigheid behoeft, mede in verband met het verbod op refoulement, maar ook met het feit dat de vreemdeling al gehoord is (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, onder 4). 3.2.

Ingevolge artikel 8:72, zesde lid, van de Awb kan de bestuursrechter voorts bepalen dat het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt, indien het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak. De staatssecretaris voert in zijn verweerschrift tevergeefs aan dat artikel 8:72, zesde lid, van de Awb door de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (hierna: Tijdelijke wet) buiten werking is gesteld. De Afdeling heeft de Tijdelijke wet bij uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3353, onder 5.5-5.9, onverbindend verklaard voor zover deze wet de mogelijkheid uitsluit om een dwangsom te verbeuren bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag.

Dat betekent dat de bestuursrechter bevoegd is om een dwangsom op te leggen als bedoeld in artikel 8:72, zesde lid, van de Awb. De Afdeling legt, gelet op het belang van de vreemdeling bij een voortvarende beoordeling van zijn asielverzoek, in deze zaak een dwangsom op aan de staatssecretaris.

4. Het beroep is gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd. De Afdeling zal bepalen dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb bepalen dat de staatssecretaris een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat hij in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De Afdeling zal de hoogte van deze dwangsom vaststellen op € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00.

De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond; II. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; III. draagt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op om binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag van de vreemdeling te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. bepaalt dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag dat hij voormelde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier. w.g. Verheij voorzitter w.g. Graat griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2023 307-986