Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:3199 ECLI:NL:RVS:2023:3199 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:3199 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:3199
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2. [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 november 2022 in zaken nrs. NL21.16993 en NL21.16998 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 30 september 2022 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een mvv te verlenen ingewilligd en bepaald dat hij geen rechterlijke dwangsom heeft verbeurd. Bij uitspraak van 17 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep deels gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdelingen een dwangsom heeft verbeurd van € 7.500,00.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:3199 · Raad van State: De rechtbank heeft namelijk uitspraak gedaan met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. De staatssecretaris heeft daarom, gelet op artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, terecht en tijdig hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:1152
201904870/1/A3. Datum uitspraak: 29 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2019 in zaak nr. 18/5543 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij brief van 15 februari 2018 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een huisvestingsvergunning afgewezen. Tevens heeft het college bepaald dat het [appellant] een dwangsom van € 2.300,00 verschuldigd is.
ECLI:NL:RVS:2020:2831
202005218/1/V1. Datum uitspraak: 1 december 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 september 2020 in zaak nr. NL20.15612 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 11 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij aan de vreemdeling een dwangsom heeft verbeurd van € 1.400,00.
ECLI:NL:RVS:2018:1025
201703561/1/V1. Datum uitspraak: 29 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van: 1. [de vreemdeling] en 2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 april 2017 in zaak nr. 16/28693 in het geding tussen: de vreemdeling en het college. Procesverloop Bij brief van 14 juni 2016 heeft de vreemdeling opnieuw beroep ingesteld tegen het uitblijven van een reactie op zijn verzoek van 10 juli 2015 om hem onderdak en leefgeld te verstrekken (hierna: het verzoek van 10 juli 2015).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202207129/1/V1. Datum uitspraak: 23 augustus 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2. [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 november 2022 in zaken nrs. NL21.16993 en NL21.16998 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 30 september 2022 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een mvv te verlenen ingewilligd en bepaald dat hij geen rechterlijke dwangsom heeft verbeurd. Bij uitspraak van 17 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep deels gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdelingen een dwangsom heeft verbeurd van € 7.500,00.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend. Overwegingen Het hoger beroep van de staatssecretaris 1. De rechtbank heeft in de rechtsmiddelenclausule onder haar uitspraak vermeld dat verzet bij de rechtbank kan worden gedaan binnen zes weken. De staatssecretaris betoogt echter terecht dat deze uitspraak geen uitspraak van de rechtbank is na toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank heeft namelijk uitspraak gedaan met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. De staatssecretaris heeft daarom, gelet op artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, terecht en tijdig hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

2. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij aan de vreemdeling een dwangsom heeft verbeurd van € 7.500,00 voor het niet tijdig uitvoering geven aan de bij een uitspraak van 5 augustus 2021 door de rechtbank opgelegde nadere termijn. Het standpunt dat de staatssecretaris in het besluit heeft ingenomen over de verschuldigdheid en hoogte van de aan die uitspraak verbonden nadere dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, is geen publiekrechtelijke rechtshandeling.

Het is dus geen besluitonderdeel waartegen de vreemdeling in beroep kan gaan. De Afdeling wijst op haar uitspraken van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152, onder 7 en van 1 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2831, onder 1. Voor het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van de nadere dwangsom moet de vreemdeling zich tot de burgerlijke rechter wenden; zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1025, onder 8.1. Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen 3. Gelet op wat onder 1 is overwogen faalt ook de grief van de vreemdelingen, waarin zij betogen dat de rechtbank had moeten vaststellen dat de staatssecretaris een dwangsom verschuldigd is.

Uit de onder 1 genoemde rechtspraak volgt namelijk dat de rechtbank niet bevoegd is om de verschuldigdheid van de dwangsom vast te stellen. De vreemdelingen moeten zich daarvoor dus tot de burgerlijke rechter wenden. Conclusie 4. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd van het beroep van de vreemdelingen kennis te nemen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond; II. verklaart het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, in zaken nrs. NL21.16993 en NL21.16998; IV. verklaart de rechtbank onbevoegd van het beroep tegen de hoogte van de door de staatssecretaris verbeurde dwangsom kennis te nemen. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr.

A.K. de Keizer, griffier. w.g. Verheij lid van de enkelvoudige kamer w.g. De Keizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2023 999