Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:2891 ECLI:NL:RVS:2023:2891 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:2891 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:2891
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202303969/2/R1 en 202303969/1/R1. Datum uitspraak: 28 juli 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 23 mei 2023 in zaak nr. 22/5604 in het geding tussen: [wederpartij], en het college.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:55f van de Awb; ECLI:NL:RVS:2023:2891 · Raad van State: Op 15 november 2022 heeft [wederpartij] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege. Dat beroep is gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit artikel 10.1, onder f, en artikel 1.64 van de planregels niet volgt dat ter plaatse van het perceel maar één hoofdgebouw is toegestaan. Nu gesteld noch gebleken is dat het bouwplan anderszins in strijd is met het geldende plan, is op de aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Nu de beslistermijn is overschreden, is de vergunning van rechtswege gegeven.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:55f van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:55f van de Awb
Nu geen omgevingsvergunning van rechtswege is verleend, stond voor [wederpartij] geen rechtsmiddel open tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:2397
202202787/1/R1. Datum uitspraak: 21 juni 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 31 maart 2022 in zaak nr. 21/812 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad. Procesverloop Bij besluit van 28 december 2020 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van de functie van het achtererf van het perceel [locatie] te Zaandam (hierna: het perceel) naar een bouwvlak met een woonbestemming.
ECLI:NL:RVS:2021:2017
202100848/1/R3. Datum uitspraak: 8 september 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Meppel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), 2. [appellanten sub 2] (hierna: [appellanten sub 2]), beide gevestigd te Meppel, appellanten, en de raad van de gemeente Meppel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 17 december 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Meppel-Nieuwveense Landen 2020" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.
ECLI:NL:RVS:2017:2684
201604983/1/A1. Datum uitspraak:4 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Vereniging Gelderse Natuur en Milieufederatie, gevestigd te Arnhem, Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, gevestigd te 's-Graveland, de Bond Heemschut Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland, gevestigd te Amsterdam, en de Stichting Behoud Historische Landgoederen Oostelijke Veluwezoom, gevestigd te Rheden (hierna: GNMF en andere), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 mei 2016 in zaak nr. 15/2634 in het geding tussen:
ECLI:NL:RVS:2022:2934
202102372/1/R3. Datum uitspraak: 12 oktober 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 3 maart 2021 in zaak nr. 20/1455 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo. Procesverloop Bij besluit van 2 oktober 2019 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een opbouw op een bestaande aanbouw op het perceel [locatie A] te Zuidlaren.
ECLI:NL:RVS:2017:497
Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202303969/2/R1 en 202303969/1/R1. Datum uitspraak: 28 juli 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 23 mei 2023 in zaak nr. 22/5604 in het geding tussen: [wederpartij], en het college.

Procesverloop Op 15 november 2022 heeft [wederpartij] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege naar aanleiding van een op 11 augustus 2022 ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van een tweede woning op het achtererf aan de [locatie] in Krommenie. Bij uitspraak 23 mei 2023 heeft de rechtbank het door [wederpartij] ingestelde beroep tegen het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning gegrond verklaard, het college opgedragen om binnen twee weken na verzending van die uitspraak de van rechtswege gegeven vergunning bekend te maken en bepaald dat het college een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting en een nader stuk ingediend. Het college heeft een nader stuk ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 13 juli 2023, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Kliphuis en mr. G.M. Pierik, beiden advocaat te Hoofddorp, vergezeld door mr. B. Malloul, en [wederpartij], bijgestaan door mr. P.E. Stam, advocaat te Zaandam, zijn verschenen.

Overwegingen Inleiding 1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Op 11 augustus 2022 heeft [wederpartij] een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor de bouw van een tweede woning op het achtererf aan de [locatie] in Krommenie. Bij e-mailbericht van 20 oktober 2022 heeft het college medegedeeld dat het niet in staat is om de aanvraag meteen op de gewenste manier te behandelen.

3. Op 31 oktober 2022 heeft [wederpartij], onder verwijzing naar een eerdere ingebrekestelling, het college erop gewezen dat op 6 oktober 2022 een vergunning van rechtswege is gegeven.

4. Op 15 november 2022 heeft [wederpartij] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege. Dat beroep is gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit artikel 10.1, onder f, en artikel 1.64 van de planregels niet volgt dat ter plaatse van het perceel maar één hoofdgebouw is toegestaan. Nu gesteld noch gebleken is dat het bouwplan anderszins in strijd is met het geldende plan, is op de aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Nu de beslistermijn is overschreden, is de vergunning van rechtswege gegeven.

Begrip hoofdgebouw 5. Het college betoogt dat de rechtbank te onrechte heeft geoordeeld dat de gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven. Volgens het college staat het ter plaatse geldende plan één woning toe en deze is aanwezig. Op de aanvraag voor de bouw van een tweede woning is - nu dit in strijd is met het plan - niet de reguliere voorbereidingsprocedure, maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. 5.1. Volgens vaste rechtspraak is voor het beantwoorden van de vraag of al dan niet van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven, beslissend welke procedure op de aanvraag van toepassing is.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2397. Op grond van artikel 3.7, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), is op een aanvraag om omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing, tenzij de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt. Zo is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing als de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo voor zover er strijd is met het plan en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. 5.2.

Artikel 10.2.1 van de planregels luidt: "Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' is ten hoogste de aangegeven maximale goothoogte toegestaan; d. indien een bebouwingspercentage is opgenomen mag ten hoogste dat percentage worden bebouwd, waarbij geldt dat dit percentage per bouwperceel in aanmerking wordt genomen; […]." Ingevolge artikel 1.64 van de planregels wordt onder hoofdgebouw verstaan: "Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is." 5.3.

Op het perceel rust op grond van het bestemmingsplan "Krommenie" de bestemming "Gemengd". Het bouwvlak beslaat het gehele perceel. Uit artikel 10, eerste lid, onder f, van de planregels volgt dat de voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen. De vraag is of de bouw van een tweede woning op het perceel in strijd is met het plan. In het bijzonder is de vraag hoe het begrip hoofdgebouw in artikel 1.64 van de planregels moet worden uitgelegd. Uit de letterlijke tekst, noch het plan kan worden afgeleid of binnen een bouwvlak meerdere hoofdgebouwen zijn toegestaan.

Zoals de Afdeling heeft overwogen, in onder meer de uitspraken van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2017, en van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2684, is bij gebrek aan aanknopingspunten in het plan en de plantoelichting voor de uitleg van een begrip het algemeen gangbare spraakgebruik richtinggevend. De voorzieningenrechter stelt vast dat de omschrijving van het begrip "hoofdgebouw" in artikel 1.64 van de planregels gelijkluidend is aan de omschrijving van dat begrip zoals opgenomen in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor).

Omdat sprake is van gelijkluidende bepalingen omtrent het begrip "hoofdgebouw", kan voor de uitleg van dit begrip aansluiting worden gezocht bij de nota van toelichting bij het Bor. Zie ter vergelijking de uitspraak van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2934. Over die definitieomschrijving heeft de Afdeling eerder in de uitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:497, al overwogen dat slechts één gebouw op een bouwperceel als belangrijkste bouwwerk en dus als hoofdgebouw, kan worden aangemerkt. Dit betekent dat ter plaatse van het voorliggend bouwvlak maar één hoofdgebouw is toegestaan en de bouw van een tweede woning op het perceel in strijd is met het plan.

De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt. Conclusie 6. Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met het geldende plan en is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Nu geen omgevingsvergunning van rechtswege is verleend, stond voor [wederpartij] geen rechtsmiddel open tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Awb. De rechtbank had zich daarom onbevoegd moeten verklaren.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De voorzieningenrechter zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren.

8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 mei 2023 in zaak nr. 22/5604; III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen; IV. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F. Dinleyici, griffier. w.g. Steendijk voorzieningenrechter w.g. Dinleyici griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2023 909