Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2023:1901 ECLI:NL:RVS:2023:1901 AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:1901 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2023:1901
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202301933/1/V3. Datum uitspraak: 17 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 maart 2023 in zaak nr. NL23.6450 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 20 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RVS:2023:1901 · Raad van State: 202301933/1/V3. Datum uitspraak: 17 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 maart 2023 in zaak nr. NL23.6450 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 20 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202301933/1/V3. Datum uitspraak: 17 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 maart 2023 in zaak nr. NL23.6450 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 20 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De vreemdeling heeft daarop gereageerd. Overwegingen 1. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief tevergeefs over het oordeel van de rechtbank over de duur van de ophouding. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de ophouding niet langer dan 6 uur heeft geduurd en daarom niet onrechtmatig is geweest. Daarbij heeft zij er terecht op gewezen dat uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van ophouding en onderzoek volgt dat de vreemdeling op 13 februari 2023 om 23:00 uur, aansluitend op strafrechtelijke heenzending, is overgenomen en opgehouden en op 14 februari 2023 om 13:45 uur in bewaring is gesteld.

Deze gang van zaken ziet de Afdeling bevestigd in de schriftelijke uiteenzetting van de staatssecretaris in hoger beroep. Dat het dossier een aantal slordigheden en verschrijvingen bevat maakt niet dat daarom niet meer uitgegaan mag worden van de juistheid van het tijdstip van ophouding in het proces-verbaal. Anders dan de vreemdeling betoogt, maakt de omstandigheid dat hij gedurende het strafrechtelijk voortraject door de Vreemdelingenpolitie is gehoord over zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status ook niet dat daardoor de ophouding is aangevangen.

De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat op basis hiervan namelijk ook kan worden beslist dat de vreemdeling juist niet zal worden opgehouden. 1.1. Wat de vreemdeling verder in de grief heeft aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier. w.g. Verheij lid van de enkelvoudige kamer w.g. Schipper griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2023 872-1017