ECLI:NL:RVS:2023:1802 · Raad van State
Legislator summary
AI generated202206928/1/V1. Datum uitspraak: 10 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2022 in zaak nr. NL22.10185 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 november 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:RVS:2023:1802 · Raad van State: 202206928/1/V1. Datum uitspraak: 10 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2022 in zaak nr. NL22.10185 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 november 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Full text
202206928/1/V1. Datum uitspraak: 10 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 november 2022 in zaak nr. NL22.10185 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 november 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 4 mei 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B. Aydin, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De vreemdeling voert in de enige grief tevergeefs aan dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, omdat de rechtbank is uitgegaan van een ondernemingsplan van 5 oktober 2018, terwijl er geen ondernemingsplan van die datum bestaat.
Dat de rechtbank onder 4 het ondernemingsplan van 18 november 2020 heeft aangeduid met de datum van de aanvraag van dat plan, 5 oktober 2018, is een kennelijke verschrijving. De rechtbank overweegt namelijk dat op de zitting is gebleken dat het ondernemingsplan van 16 december 2020 niet verschilt van het ondernemingsplan van 5 oktober 2018, op één zin na. Alleen al uit die zin moet voor partijen duidelijk zijn dat de rechtbank het ondernemingsplan van 18 november 2020 heeft bedoeld. Uit de zittingsaantekeningen komt bovendien naar voren dat de staatssecretaris op de zitting heeft toegelicht dat er twee ondernemingsplannen zijn, één van 18 november 2020 en één van 16 december 2020, die op één zin na identiek zijn en die beide als aanvraagdatum 5 oktober 2018 hebben.
De vreemdeling heeft dit op de zitting niet weersproken. 1.1. Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Goeverden-Clarenbeek griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2023 488-1046