Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:772 ECLI:NL:RVS:2022:772 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:772 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:772
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202005067/1/R3. Datum uitspraak: 16 maart 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Nieuwkoop, appellanten, en het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 juli 2020 heeft het college een besluit tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) genomen voor de toekomstige woning op het perceel tussen de Nieuwveenseweg 29 en 31 te Nieuwkoop. Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:69a van de Awb; ECLI:NL:RVS:2022:772 · Raad van State: Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 3.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad.

Keywords

AI generated
artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:69a van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:69a van de Awb
18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:847
201801536/1/R3. Datum uitspraak: 25 maart 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, 2. [appellant sub 2A] en de erven van [overledene], thans hun rechtsopvolgers: [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], beiden wonend te Nijverdal, gemeente Hellendoorn (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 2]), 3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, appellanten, en 1. de raad van de gemeente Hellendoorn, 2. het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn, verweerders.
ECLI:NL:RVS:2014:4324
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Terra Sicca B.V.
ECLI:NL:RVS:2020:2706
201906841/1/R1. Datum uitspraak: 11 november 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Amsterdam, en de raad van de gemeente Amsterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 10 juli 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Twiske Zuid II" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2020, waar [appellant], vergezeld van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door T.H. van Essen en S. Visser, zijn verschenen.
ECLI:NL:RVS:2011:BR1411
Procesverloop Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de Provincialeweg N506, voor nieuw te bouwen woningen op de CPO-locatie Tuibrug aan de Lageweg in de wijk Kersenboogerd te Hoorn. Dit besluit is op 22 juli 2010 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2010, en Het Guldenbos, [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2010, beroep ingesteld.
ECLI:NL:RVS:2022:510
202003856/1/R3. Datum uitspraak: 16 februari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Rotterdam, en anderen, appellanten, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft het college, onder aanvullende eisen, hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 110a, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld (hierna: het besluit hogere waarden) ten behoeve van de op het perceel Laan van Oud-Kralingen 50 in Rotterdam te realiseren woningen (hierna: het perceel).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202005067/1/R3. Datum uitspraak: 16 maart 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Nieuwkoop, appellanten, en het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 juli 2020 heeft het college een besluit tot vaststelling van hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) genomen voor de toekomstige woning op het perceel tussen de Nieuwveenseweg 29 en 31 te Nieuwkoop. Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 november 2021, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door [appellant A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. van der Velden, drs. M.E. Bosboom, drs. I.A. Woei als deskundige, en mr. D. Stapel, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] als partij gehoord. Overwegingen Inleiding 1. Het besluit is genomen vanwege de wijziging van de rotonde en de ontsluitingsstructuur van de Nieuwveenseweg (N231) ten noorden van de kern Nieuwkoop, die zijn voorzien in het bestemmingsplan "Nieuwveenseweg 29A", dat de raad van de gemeente Nieuwkoop bij besluit van 9 juli 2020 heeft vastgesteld.

Om de nieuwe ontsluitingsweg te realiseren moet de bestaande woning op het perceel Nieuwveenseweg 29A worden gesloopt en wordt op het perceel tussen de Nieuwveenseweg 29 en 31 de bouw van een vervangende woning mogelijk gemaakt. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden heeft betrekking op deze vervangende woning. 2. [appellant A] en [appellant B] wonen op een afstand van respectievelijk 25 m en 15 m van het plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met de in het plan voorziene ontsluitingsweg en de daarvoor te verplaatsen woning. Zij betogen dat het college ten onrechte heeft besloten tot het vaststellen van hogere waarden bij deze woning.

Daarnaast betogen zij dat in het akoestisch onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, van verkeerde uitgangspunten is uitgegaan. Wet geluidhinder 3. Het college stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste zich ertegen verzet dat [appellant A] en [appellant B] een geslaagd beroep kunnen doen op de normen over geluidhinder uit de Wgh, omdat deze normen niet gaan over de bescherming van de belangen van omwonenden maar alleen over de bescherming van belangen van de toekomstige bewoners van de te verplaatsen woning. 3.1.

Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 3.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad.

De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant (uitspraken van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:847 (Hellendoorn), 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4324 (Baarn Noord)). 3.3. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Wgh kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld. 3.4. Zoals de Afdeling onder 10.93 heeft overwogen in de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, bevat hoofdstuk VI van de Wgh, waar de artikelen 82 en 83 in zijn opgenomen, geluidswaarden voor woningen gelegen binnen een bepaalde afstand van een weg.

Als beschermingsniveau geldt in beginsel de geluidswaarde die voor de betrokken woningen is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woningen een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woningen. 3.5. De regeling in artikel 83 van de Wgh strekt er dus toe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidsbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij woningen vanwege de weg maximaal mag optreden. Deze regeling dient daarmee, zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in haar uitspraken van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1411, r.o. 2.5.2 en 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.93, en 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:510, r.o. 5.3, ter bescherming van de bewoners van de woningen waarop het besluit betrekking heeft. [appellant A] en [appellant B] zijn niet de toekomstige bewoners van deze woning.

Daarom strekt de regeling kennelijk niet tot de bescherming van hun belangen. Gelet hierop kan wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen zij hierover hebben aangevoerd. Conclusie 4. Het beroep is ongegrond.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-Van Vugt, en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2022