Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:554 ECLI:NL:RVS:2022:554 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:554 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:554
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202004727/1/A3. Datum uitspraak: 23 februari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2020 in zaak nr. 19/4409 in het geding tussen: [appellant] en de minister voor Rechtsbescherming. Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2019 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen. Bij besluit van 12 augustus 2019 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2022:554 · Raad van State: 202004727/1/A3. Datum uitspraak: 23 februari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2020 in zaak nr. 19/4409 in het geding tussen: [appellant] en de minister voor Rechtsbescherming. Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2019 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen. Bij besluit van 12 augustus 2019 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Keywords

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 23 februari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2020 in zaak nr.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202004727/1/A3. Datum uitspraak: 23 februari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2020 in zaak nr. 19/4409 in het geding tussen: [appellant] en de minister voor Rechtsbescherming. Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2019 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen. Bij besluit van 12 augustus 2019 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. Met toestemming van partijen is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:57, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten. Overwegingen 1.

De Afdeling heeft over een latere aanvraag van [appellant] om afgifte van een VOG op 1 december 2021 uitspraak gedaan en de afwijzing van die aanvraag in stand gelaten (ECLI:NL:RVS:2021:2705). Verder beschikt [appellant] naar aanleiding van een nieuwe aanvraag inmiddels over een VOG. Bij brief van 8 februari 2022 heeft zijn advocaat de Afdeling ervan in kennis gesteld dat er voor [appellant] geen procesbelang meer bestaat bij een inhoudelijke behandeling van de zaak en wordt verzocht om hem in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Bij deze stand van zaken ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant] geen procesbelang meer heeft.

2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk 3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2022 597