Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:402 ECLI:NL:RVS:2022:402 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:402 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:402
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202002454/1/A2. Datum uitspraak: 9 februari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Heerenpeel BV, gevestigd te Oploo, gemeente Land van Cuijk, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 3 maart 2020 in zaak nr. 19/1341 in het geding tussen: Heerenpeel en het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas. Procesverloop Bij besluit van 4 september 2018 heeft het dagelijks bestuur het verzoek om nadeelcompensatie van Heerenpeel afgewezen. Bij besluit van 1 april 2019 heeft het dagelijks bestuur het door Heerenpeel daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek; ECLI:NL:RVS:2022:402 · Raad van State: Bij brief van 9 maart 2017 heeft het waterschap de aansprakelijkheid voor de door Heerenpeel gestelde schade op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek afgewezen. Rechtmatig handelen 12. Heerenpeel heeft op 4 juli 2017 het dagelijks bestuur van het waterschap, op grond van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet, verzocht om een schadevergoeding van € 25.000,-. Heerenpeel stelt dat de schade aan haar percelen is ontstaan als rechtstreeks gevolg van de uitoefening van de taken van het waterschap in het kader van waterbeheer. Heerenpeel stelt dat de gewijzigde uitvoering van het projectplan ‘Knelpunt wateroverlast Oploo’ de schade heeft veroorzaakt.

Keywords

AI generated
artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek
Bij brief van 9 maart 2017 heeft het waterschap de aansprakelijkheid voor de door Heerenpeel gestelde schade op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek afgewezen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1981:AG4240
Omdat de op het Waterschap rustende rechtsplicht tot beheer en onderhoud van de onderhavige sloot, nu uit 's Hofs arrest en de daaraan ten grondslag liggende stukken van het geding niet blijkt van enige overeenkomst tussen partijen ter zake van het schoonhouden van die sloot, slechts zou kunnen berusten op de wet, en omdat het Reglement voor het Waterschap Bargerbeek in 1972 ter zake bepaalde dat het Waterschap, voor zover te dezen toepasselijk, ten doel had de verbetering van de waterhuishouding, de waterbeheersing en het tegengaan van de waterverontreiniging alsmede al datgene wat verder in het belang kon zijn van de tot het Waterschap behorende gronden (en niet van ieder stuk grond op zichzelf) en het Hof door te overwegen dat op het Waterschap derhalve de rechtsplicht rustte om die sloot schoon te houden, zodat het afvoeren van het water te allen tijde op voldoende wijze ongestoord kan plaatsvinden en door te beslissen dat, zodra tengevolge van de door het niet tijdig schoonmaken veroorzaakte aanwezigheid van plantengroei in de sloot de afvoer van het water niet normaal kan plaatsvinden en een en ander wateroverlast op de aan de sloot grenzende gronden en daarmee schade voor de gebruikers van die gronden tengevolge heeft, de in de verplichting tot beheer en onderhoud voor de grondgebruikers gelegen waarborg medebrengt, dat het Waterschap aansprakelijk is voor de door de grondgebruikers geleden schade, aan die doelomschrijving een onjuiste inhoud heeft gegeven, aangezien het ''systeem van controle, verzorging en onderhoud'' dat het Waterschap toepast ter regeling van zijn werkzaamheden blijkens die doelomschrijving niet eenzijdig mag zijn afgestemd op het te allen tijde — behoudens in geval van zodanige neerslag dat ook bij geheel onbelemmerde doorstroming van de sloot een zo laag gelegen perceel als dat van [verweerder] toch onder water zou zijn gelopen, respectievelijk neerslag van zo'n abnormale omvang dat het Waterschap daarmede bij de vervulling van de onderhoudsplicht redelijkerwijs geen rekening behoefde te houden — voorkomen van de wateroverlast voor ieder individueel perceel, althans voor het perceel van [verweerder], maar ook moet zijn gericht op het tegengaan van waterverontreiniging, waaronder wel mede zal zijn te verstaan het biologisch gezond houden van de sloten, alsmede op de aan het Waterschap ''toevertrouwde behartiging van andere veelsoortige belangen'', en dat alles binnen het kader van het budget en van de beschikbare mankracht van het Waterschap, en omdat in de taakomschrijving van het Waterschap geen waarborg is gelegd voor iedere individuele grondgebruiker in die zin dat het Waterschap altijd en onder alle omstandigheden — behoudens die waarvoor het Hof een uitzondering heeft gemaakt, althans behoudens overmacht — aansprakelijk zou zijn voor de schade die een individuele grondgebruiker lijdt als gevolg van het onderlopen van zijn land doordat een bepaalde sloot kort voor het tijdstip waarop deze zou worden geschoond, bij hevige regenval het hemelwater niet snel genoeg kan afvoeren, ook niet als (althans op zichzelf nog niet wanneer) zou komen vast te staan dat bij eerdere schoning de betreffende sloot het regenwater wel zo snel zou hebben afgevoerd dat het land van de betrokkene niet zou zijn ondergelopen en zeker niet wanneer zulks onzeker blijft, gelijk aan het eindarrest, waartegen zich middel II richt, is vastgesteld.
ECLI:NL:HR:2001:AD5302
Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 6 september 1994 verweerster in cassatie - verder te noemen: het Waterschap - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het Waterschap te veroordelen om aan [eiser] te betalen de somma van ƒ 131.864,70 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 1993 tot aan de dag der voldoening wegens schade opgelopen in de jaren 1992 en 1993. Deze procedure is ingeschreven onder rolnummer 94/3360. Het Waterschap heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 6 december 1994 een comparitie van partijen gelast. [Eiser] heeft bij exploit van 6 juni 1995 het Waterschap gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het Waterschap te veroordelen aan [eiser] te betalen wegens schade opgelopen in 1994:
ECLI:NL:RVS:2017:2925
201701808/1/A2. Datum uitspraak: 1 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 februari 2017 in zaak nr. 16/1118 in het geding tussen: [appellant] en het dagelijks bestuur van het Wetterskip Fryslân. Procesverloop Bij besluit van 3 november 2015 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen. Bij besluit van 24 februari 2016 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202002454/1/A2. Datum uitspraak: 9 februari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Heerenpeel BV, gevestigd te Oploo, gemeente Land van Cuijk, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 3 maart 2020 in zaak nr. 19/1341 in het geding tussen: Heerenpeel en het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas. Procesverloop Bij besluit van 4 september 2018 heeft het dagelijks bestuur het verzoek om nadeelcompensatie van Heerenpeel afgewezen. Bij besluit van 1 april 2019 heeft het dagelijks bestuur het door Heerenpeel daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2020 heeft de rechtbank het door Heerenpeel daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft Heerenpeel hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2022, waar zowel Heerenpeel, vertegenwoordigd [gemachtigde] en mr. M.J.C. Mol, als het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door H.W.M. Lavrijssen en J. van Keulen, via een videoverbinding zijn verschenen. Overwegingen 1.

Heerenpeel exploiteert een landbouwbedrijf aan de Schipperspeel 3 te Oploo. Enkele agrarische percelen van Heerenpeel grenzen aan waterlopen die in beheer en onderhoud zijn van het waterschap. De percelen liggen aan de noordkant van Oploo en wateren grotendeels af op watergang 11000301. Deze waterloop komt uit in de Oploose Molenbeek. Een deel van de percelen kan ook direct naar het oosten op de Oploose Molenbeek afwateren.

2. Van 27 mei tot en met 28 juni 2016 heeft het landbouwbedrijf te kampen gehad met extreme regenval. Dit heeft geleid tot wateroverlast op de agrarische percelen (nummers 22, 31 en 34) met gewasschade tot gevolg.

3. Heerenpeel heeft deze percelen eind 2015/ begin 2016 verworven.

4. Op 26 augustus 2014 heeft het dagelijks bestuur het projectplan ‘Knelpunten wateroverlast Oploo’ (hierna: het projectplan) vastgesteld. Dit plan is bedoeld om wateroverlast in Oploo te voorkomen. In 1998 is Oploo overstroomd, omdat de Oploose Molenbeek buiten haar oevers trad. Het gebied rondom Oploo is een kwelgebied. Dat betekent dat grondwaterstanden relatief hoog zijn en dat de neerslag snel tot afstroming komt. Het water in de Oploose Molenbeek komt uit het gebied bovenstrooms van Oploo. De afvoercapaciteit van de lange overkluizing in Oploo was te klein om het water te kunnen afvoeren.

5. Een van de oplossingen in het projectplan om bij extreme weersomstandigheden wateroverlast in de kern van Oploo te voorkomen, was om de Oploose Molenbeek te ontzien door meer water bovenstrooms van Oploo om te leiden via watergang 114030, die daartoe verruimd diende te worden.

6. In het projectplan is op pagina 15 vermeld dat bij extreme situaties landbouwpercelen ten noorden van Oploo nog steeds zullen inunderen. De inundatie zal wel minder groot zijn en voldoet aan de normen die voor landbouwgronden gelden.

7. Eind 2014 en begin 2015 zijn de maatregelen uit het projectplan uitgevoerd, waaronder de omleiding van het water via watergang 114030. Ten westen van Oploo is een extra verbinding (bypass) gemaakt van watergang 114030 naar de Oploose Molenbeek.

8. Op verzoek van de vorige eigenaar van de percelen van Heerenpeel is, in afwijking van het projectplan, de bypass in een bocht aangelegd en niet in een rechte lijn. De vorige eigenaar wilde de bestaande sloot handhaven, zodat er geen nieuwe sloot gegraven hoefde te worden op zijn land. Op dat land wilde hij een landgoed van natte natuur maken. De afwijking van het projectplan is mondeling afgestemd en niet schriftelijk vastgelegd. Onrechtmatig handelen 9. Bij brief van 18 juli 2016 heeft Heerenpeel het waterschap Aa en Maas aansprakelijk gesteld voor gewasschade.

Heerenpeel stelde dat het waterschap onrechtmatig heeft gehandeld door de aanleg van de bypass in een bocht. Daardoor is er te veel water ingelaten op haar percelen. Ook heeft het waterschap onrechtmatig gehandeld door de sloten rondom te percelen niet tijdig te maaien. Hierdoor kon het water na de zware regenval onvoldoende worden afgevoerd. Door de aanleg van de bypass in een bocht en door achterstallig onderhoud is het water langere tijd op de percelen met aardappelen en mais blijven staan en zijn de percelen vervolgens zeer nat gebleven. Dit had gewasschade aan aardappelen en mais tot gevolg, aldus Heerenpeel.

10. Het waterschap heeft naar aanleiding van de schademelding de percelen bezocht en onderzoek gedaan. De resultaten zijn neergelegd in het opnamerapport schadeclaim wateroverlast. Het waterschap stelt zich op het standpunt dat zij, tijdens de overlast door zware regenval, de maatregelen heeft genomen die van het waterschap konden worden verwacht om het overtollige water zoveel mogelijk af te voeren. De inundatie is toe te schrijven aan de hoogteligging van de percelen in combinatie met de aanvoer van water bovenstrooms. De bypass is ten tijde van de overlast ingezet conform de uitgangspunten van het projectplan.

11. Bij brief van 9 maart 2017 heeft het waterschap de aansprakelijkheid voor de door Heerenpeel gestelde schade op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek afgewezen. Rechtmatig handelen 12. Heerenpeel heeft op 4 juli 2017 het dagelijks bestuur van het waterschap, op grond van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet, verzocht om een schadevergoeding van € 25.000,-. Heerenpeel stelt dat de schade aan haar percelen is ontstaan als rechtstreeks gevolg van de uitoefening van de taken van het waterschap in het kader van waterbeheer. Heerenpeel stelt dat de gewijzigde uitvoering van het projectplan ‘Knelpunt wateroverlast Oploo’ de schade heeft veroorzaakt.

Volgens Heerenpeel maakt het bestaan van de bocht in de bypass de afvoer van grote hoeveelheden water onmogelijk. Zonder de bocht zou het water sneller van haar percelen hebben kunnen wegstromen en had zij minder gewasschade geleden, aldus Heerenpeel. Advisering en besluitvorming 13. Bij besluit van 4 september 2018 heeft het dagelijks bestuur het verzoek om nadeelcompensatie, onder verwijzing naar het advies van de Stichting Advisering Onroerende Zaken (SAOZ) van juli 2018, afgewezen.

14. In het SAOZ-rapport wordt, kort samengevat, aangegeven dat het causaal verband tussen de gestelde schadeoorzaken en de gestelde schade ontbreekt. De SAOZ heeft voor die conclusie aansluiting gezocht bij de arresten van de Hoge Raad van 9 oktober 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4240) en van 9 november 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AD5302). De SAOZ leidt uit deze arresten af dat alleen is voldaan aan het vereiste van causaal verband als in het beleid bewust gekozen is om het watersysteem zodanig in te richten dat daardoor water in een ander deel van het systeem wordt opgehouden om andere delen van het watersysteem te ontzien. Dit doet zich in dit geval niet voor, aldus de SAOZ. Ook wijst de SAOZ erop dat Heerenpeel na de feitelijke uitvoering van het project, de percelen heeft verworven en dus wist of behoorde te weten dat het projectplan anders is uitgevoerd dan zoals dit ter inzage heeft gelegen en is vastgesteld.

15. Bij besluit van 1 april 2019 heeft het dagelijks bestuur, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie waterschap Aa en Maas van 14 februari 2019, het bezwaar van Heerenpeel tegen de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie ongegrond verklaard.

16. De bezwarencommissie stelt dat, voor zover Heerenpeel het waterschap onrechtmatig handelen verwijt, omdat de bypass niet conform het projectplan is aangelegd, artikel 7.14 van de Waterwet niet van toepassing is op deze gestelde schadeoorzaak. De bezwarencommissie stelt, in navolging van het advies van de SAOZ, voorts dat Heerenpeel de percelen heeft verworven na vaststelling en uitvoering van het plan en dat daarmee de gewijzigde uitvoering voorzienbaar was en zij het risico op nadelige gevolgen actief heeft aanvaard. De bezwarencommissie stelt daarnaast onder verwijzing naar het advies van de SAOZ dat het causaal verband ontbreekt tussen de rechtmatige uitoefening van taken en bevoegdheden door het waterschap en de gestelde schade.

Uitspraak van de rechtbank 17. De rechtbank oordeelt dat het dagelijks bestuur het verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen. De door Heerenpeel gestelde schadeoorzaak, het uitvoeren van werkzaamheden in afwijking van het projectplan, is geen rechtmatige uitoefening van taken of bevoegdheden in het kader van waterbeheer. Heerenpeel kan zich tot de burgerlijke rechter wenden voor een actie uit onrechtmatige daad, aldus de rechtbank. Betoog Heerenpeel in hoger beroep 18. Heerenpeel kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank. Heerenpeel betoogt dat het waterschap binnen de rechtmatige uitoefening van haar bevoegdheden, de uitvoering van het projectplan, een andere keuze heeft gemaakt.

Heerenpeel stelt aanspraak op nadeelcompensatie te maken, omdat is besloten de kern van Oploo te beschermen tegen wateroverlast, ten koste van inundatie van de percelen van Heerenpeel. De afwijkende uitvoering heeft vervolgens geleid tot een verminderde afvoercapaciteit van watergang 114030. Dit is gebeurd in het algemeen belang en de schade die hiervan het gevolg is, dient te worden vergoed op basis van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet. Voor het vaststellen van de omvang van de schade kan er een vergelijking worden gemaakt tussen de opbrengst per hectare van mais en aardappelen tussen 2016 en 2017, aldus Heerenpeel.

Beoordeling van het hoger beroep door de Afdeling 19. Artikel 7.14 van de Waterwet bepaalt dat degene die schade lijdt door de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer, in aanmerking komt voor een vergoeding.

20. Het dagelijks bestuur hoeft dergelijke schade slechts te vergoeden als deze een gevolg is van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van Heerenpeel behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

21. In hoger beroep is in geschil of de door Heerenpeel gestelde schadeoorzaken onder de reikwijdte van artikel 7.14 van de Waterwet vallen, en zo ja of er causaal verband is tussen deze schadeoorzaken en de door Heerenpeel gestelde schade.

22. Heerenpeel heeft onder meer betoogd dat de schade is ontstaan doordat het dagelijks bestuur in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur in de uitvoering is afgeweken van het projectplan. Dit betoog komt erop neer dat Heerenpeel het waterschap onrechtmatig handelen verwijt, omdat het waterschap het projectplan niet deugdelijk heeft uitgevoerd. Deze gestelde schadeoorzaak valt niet binnen de reikwijdte van artikel 7.14 van de Waterwet. Schade als gevolg daarvan komt dan ook niet op grond van dit artikel voor vergoeding in aanmerking. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2925.) 23. Ter zitting heeft Heerenpeel toegelicht dat hij niet langer de ondeugdelijke uitvoering van het projectplan als schadeoorzaak aanwijst. De rechtmatige beleidsmatige keuze om een bocht in de bypass aan te brengen, heeft tot gevolg dat het water in geval van zware regenval op haar percelen blijft staan en niet afgevoerd kan worden. Heerenpeel stelt onevenredig te worden benadeeld door de rechtmatige beleidsmatige keuze om de kern Oploo te ontzien.

24. Nu Heerenpeel stelt dat de schade is veroorzaakt door de (rechtmatige) aanleg van de bypass, moet worden bezien of Heerenpeel door deze wijziging, in verband met de zware regenval in 2016, vernattingsschade heeft geleden.

25. Heerenpeel heeft onvoldoende aangevoerd om het oorzakelijk verband tussen de aanleg van de bypass en de gewasschade aan te nemen. Om het causaal verband vast te stellen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie waarin Heerenpeel door de zware regenval is terechtgekomen en de hypothetische situatie waarin hij zou hebben verkeerd indien de aanleg van de bypass niet zou hebben plaatsgevonden. Heerenpeel heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schade door de extreme regenval in 2016 zonder de aanleg van de bypass zou zijn uitgebleven.

Hierbij is van belang dat de bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade en het causaal verband met de gestelde oorzaak van de schade op de aanvrager rust. De stelling dat uit de vergelijking van de opbrengst per hectare van aardappels en mais tussen 2016 en 2017 blijkt dat er in 2016 schade is geleden, betekent niet dat die schade er zonder de aanleg van de bypass niet zou zijn geweest. Zoals onder 6 is overwogen is in het projectplan vermeld dat bij extreme weersomstandigheden landbouwpercelen ten noorden van Oploo nog steeds zullen inunderen.

26. Voor zover het betoog van Heerenpeel erop berust dat de schade is veroorzaakt door de aanleg van de bypass in afwijking van het projectplan, is van belang dat deze afwijking op uitdrukkelijk verzoek van de vorige eigenaar heeft plaatsgevonden en dat eventuele daardoor veroorzaakte schade daarom redelijkerwijze ten laste van Heerenpeel behoort te blijven. Conclusie 27. De slotsom is dat het dagelijks bestuur de aanvraag om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen.

28. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

29. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2022 299