Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RVS:2022:3814 ECLI:NL:RVS:2022:3814 AI generated

ECLI:NL:RVS:2022:3814 · Raad van State

Case Number ECLI:NL:RVS:2022:3814
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

202103268/1/A3 en 202103269/1/A3. Datum uitspraak: 14 december 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op de hoger beroepen van: de minister van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2021 in zaak nrs. 20/2756 en 20/2757 in de gedingen tussen: [wederpartij], wonend te Overschild, gemeente Midden-Groningen. en de minister. Openbare zitting gehouden op 14 december 2022 om 11:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RVS:2022:3814 · Raad van State: Datum uitspraak: 14 december 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op de hoger beroepen van: de minister van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2021 in zaak nrs. 20/2756 en 20/2757 in de gedingen tussen: [wederpartij], wonend te Overschild, gemeente Midden-Groningen. en de minister. Openbare zitting gehouden op 14 december 2022 om 11:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr.

Keywords

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht
Datum uitspraak: 14 december 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op de hoger beroepen van: de minister van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2021 in zaak nrs.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

202103268/1/A3 en 202103269/1/A3. Datum uitspraak: 14 december 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op de hoger beroepen van: de minister van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2021 in zaak nrs. 20/2756 en 20/2757 in de gedingen tussen: [wederpartij], wonend te Overschild, gemeente Midden-Groningen. en de minister. Openbare zitting gehouden op 14 december 2022 om 11:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr.

N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer. griffier: mr. Y. Soffner Verschenen: [wederpartij]; zaak nr. 20/2756 [wederpartij] heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door de minister op zijn verzoek om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) informatie openbaar te maken. Bij uitspraak van 9 april 2021 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen alsnog een besluit op het Wob-verzoek te nemen. Bij besluit van 22 april 2021 heeft de minister het Wob-verzoek wegens misbruik van recht buiten behandeling gesteld. zaak nr. 20/2757 [wederpartij] heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door de minister op zijn verzoek om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna:

Wob) informatie openbaar te maken. Bij uitspraak van 9 april 2021 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen alsnog een besluit op het Wob-verzoek te nemen. Bij besluit van 22 april 2021 heeft de minister het Wob-verzoek wegens misbruik van recht buiten behandeling gesteld. Zaak nr. 20/2756 en 20/2757 Het hoger beroep van de minister richt zich tegen de uitspraken van 9 april 2021 van de rechtbank Noord-Nederland. De Afdeling I. verklaart de hoger beroepen gegrond; II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2021 in zaak nrs. 20/2756 en 20/2757;

III. verklaart de beroepen van [wederpartij] niet-ontvankelijk. Gronden: [wederpartij] heeft op grond van de Wob verzocht om informatie over aan hem opgelegde verkeersboetes. Met die informatie wil hij de verkeersboetes aanvechten. Niet gebleken is van enig ander oogmerk om de Wob-verzoeken in te dienen. Nu het doel van de verzoeken slechts gelegen kan zijn in het aanvechten van de verkeersboetes, heeft, zoals de minister terecht heeft betoogd, [wederpartij] misbruik gemaakt van de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2965).

De rechtbank had de beroepen van [wederpartij] daarom wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk moeten verklaren. w.g. Verheij lid van de enkelvoudige kamer w.g. Soffner griffier 818